Yves Vanden Auweele: ‘De 6 factoren die kunnen bewijzen dat Delfine Persoon onterecht verloor’

Er is alom ongeloof en dit niet enkel bij supporters maar ook bij kenners na de winst op punten van de Ierse Katie Taylor tegen ons aller Delfine Persoon in het wereldkampioenschap lichtgewicht boksen. Men verwijt de 3 juryleden een dubieuze, partijdige beslissing ingegeven door een grotere bekendheid van haar Ierse tegenstreefster.

Opnieuw doet dit de discussie oplaaien omtrent de objectiviteit van paneljurering.  Ook in sporten zoals turnen, sierduiken, rope-skipping, synchroon zwemmen. Eigenlijk in alle sporten waar de prestatie wordt beoordeeld door een paneljury, en dus niet op basis van objectief meetbare criteria.

Er kan inderdaad opzettelijk vervalsing of een bevoordelen van atleten in het spel zijn alhoewel dat hier niet noodzakelijk het geval moet geweest zijn. Met eigen wetenschappelijk onderzoek hebben we immers kunnen aantonen dat er ook een aantal psychologische en sociale factoren, op een eerder onbewuste manier het oordeel van juryleden beïnvloeden.

Bewust of onbewust het blijft erg, zeker in grote internationale wedstrijden omwille van de enorme belangen die met de uitslag gepaard gaan, belangen van landen, sponsors, de carrière van de atleet….

6 factoren

Op dit ogenblik zijn er een zestal psychologische en sociale factoren geïdentificeerd en wetenschappelijk gedocumenteerd die het oordeel van de paneljuryleden (on)bewust beïnvloeden:

  • De reputatie van de atleet is een eerste belangrijke factor. Zeker op hoog niveau kennen alle juryleden de atleten, hun prestaties en hun reputatie en laten hun oordeel daardoor beïnvloeden.
  • Er is ook het patriottisme-effect dat refereert aan de soms bewuste doch ook de onbewuste neiging van de juryleden om atleten van het eigen land minder snel een fout of onvolkomenheid aan te rekenen.
  • De kennis van en de herinnering aan de vorige prestaties van de atleet.
  • Er is het halo-effect waarbij juryleden de neiging hebben om hun impressie en oordeel over de prestatie van een atleet op 1 dimensie te generaliseren naar andere dimensies in plaats van elke dimensie zorgvuldig apart te beoordelen.
  • Het conformiteiteffect houdt in dat de juryleden de tendens hebben om niet te veel af te wijken van de scores van hun collega juryleden. Dit speelt des te meer mee in situaties waarin de juryleden elkaars scores kunnen zien en horen.
  • Een laatste factor betreft de verwachtingen die geschapen worden door de kwaliteit van de actie in het begin van de kamp zeker als er geen overduidelijke fouten worden gemaakt.

Het is zo dat één of meerdere van deze factoren altijd meespelen en de oorzaak zijn van bewezen verschillen in beoordelingen en scores. Kennis hebbende van die factoren is het eigenlijk niet meer te verantwoorden dat in sporten met paneljurering niet gezocht wordt naar aanpassingen die de invloed van deze bewuste en onbewuste factoren tot een minimum kunnen herleiden.

In grote wedstrijden is de kwaliteit van de deelnemers zeer hoog en zijn verschillen sowieso klein; een reden temeer om een scoringssysteem te garanderen dat zo accuraat mogelijk is, dat fair en onpartijdig is.

Bron: vrtnws.be

Laat een reactie achter