Vrijdag: ongeruste buren beuken het appartement naast hen open en ontdekken een dementerende vrouw. Al drie of vier weken zit ze bij het lichaam van haar overleden man. Dagenlang stil geklop wekte de ongerustheid van de buurt. Vermoedelijk signalen van de vrouw die op de grond sloeg om hulp te vragen. Vandaag: een spervuur aan vragen in de media: waarom kon de vrouw niet naar buiten? Hoe heeft de vrouw overleefd? Maar één vraag ontbreekt: waar was iedereen? De lugubere vondst is bovendien geen alleenstaande gebeurtenis. In Antwerpen vond een deurwaarder in november vorige jaar een ‘wanbetaler’ die feitelijk al twee jaar dood, ondertussen gemummificeerd, op het bed van zijn sociaal huurappartementje lag. En er zijn nog recente voorbeelden.

De ‘verklaring’ voor dit soort gebeurtenissen is unisono: de vereenzaming neemt toe. Een logisch gevolg van de individualistischere maatschappij van vandaag. Vereenzaming hoort bij onze tijd, zoals sociale controle bij het verleden past. Vroeger kreeg een gebeurtenis als deze gewoon niet de mogelijkheid om te gebeuren, dankzij die sociale controle.

Toch wil ik niet terug naar vroeger. Het had zijn voordelen, dat ‘iedereen kent iedereen’. Maar ook zijn nadelen: een immense sociale druk, een beknotting van vrijheid. Maar vooral: het is voorbij. Wat er in Antwerpen gebeurde, is geen reden om de loftrompet te blazen van de sociale controle. De tijd is anders. Eén voorbeeld: veel kinderen blijven niet meer onder de kerktoren van het ouderlijke dorp, maar zwermen uit naar andere steden, zelfs andere landen. Ze gaan wonen in een vreemde buurt, naast vreemde buren. De trend is duidelijk: we zijn geografisch mobieler. Afstanden worden groter, sociale controle kleiner.

We zijn stilaan verlost van het beklemmend gevoel van sociale controle. Maar in het ‘geluk’ van dat verlies schuilt ook een ‘ongelukkig’ iets. Het doet denken aan het kind en het badwater: sociale controle verbergt immers ook altijd een kern van sociale bekommernis. Een bekommernis die ik heb en wil blijven behouden, ook al ken ik misschien niet al mijn buren, en weet ik niet welke zorgen bijvoorbeeld mijn collega’s hebben. Toch wil ik bekommerd blijven. En dat wil niet zeggen dat ik de ‘kommer en kwel’ van de hele wereld op mijn schouders wil nemen.

En natuurlijk zijn er uitstekende instellingen voor sociale voorzieningen. Maar in tegenstelling tot wat hun naam doet vermoeden, kunnen zij niet alles voorzien. Het is eigen aan onze tijd om ‘het beleid’ voor zowat alles verantwoordelijk te stellen. Maar daar knelt het schoentje. We zoeken de oplossing te ver. De oplossing ligt ook bij onszelf.

Wat leren kinderen vandaag? ‘Opkomen voor jezelf’, ‘je niet laten doen’, ‘je eigen mening laten primeren’. Je eigen persoontje, daar draait het om. Een denktrant waarin volgens mij een angst schuilt: de angst voor de ander. Contact zoeken met een ander – of het nu je buur, de persoon tegenover je in de trein of je oude moeder is – houdt altijd een risico in. Het risico om afgewezen te worden, een blauwtje te lopen, op een persoon te stoten die je eigenlijk een beetje ergert, je vertrouwen geschonden te zien… Maar toch: wegen de nadelen van ‘bekommerd’ te zijn op tegen de voordelen? Ik denk het niet. Want ook ik ben een ander.

 

Bron: De Morgen