Stadslucht maakt vrij. De uitdrukking komt uit de middeleeuwen. Een mens die naar de stad emigreerde, werd letterlijk vrij: hij kwam onder de knoet van zijn heer vandaan aan wie hij als laat (*) gebonden was. Ook de steden zelf kregen door de stadsrechten die ze hadden bedongen of afgedwongen, meer vrijheid dan de rest van het rechtsgebied van de graaf of de vorst. Stadslucht maakte dus letterlijk vrij.In de loop van de tijd en met de groei van de steden werd duidelijk dat stadslucht ook figuurlijk vrijmaakt. Je ontmoette er andere ideeën, je had er meer vrijheid om een eigen leven te leiden en je handel en wandel werden niet voortdurend in de gaten gehouden. Zo werd de vrijheid van de stadslucht er zelfs een om anoniem door het leven te gaan.

Sociale contacten

Hangt aan de vrijheid van de stad een recht op anonimiteit, aan die anonimiteit kleeft een gevaar van vereenzaming. Zijn de mogelijkheden om mensen te ontmoeten in een stedelijke omgeving talrijker, dito zijn de mogelijkheden om mensen te mijden of om door mensen gemeden te worden. De territoriumangst slaat nu eenmaal sneller toe in de stad dan op het land.

De stedelijke overheid kan niemand dwingen om sociale contacten te hebben – dat zou trouwens tegen de filosofie van de vrije stadslucht ingaan – ze kan er wel voor zorgen dat mensen spontaner met elkaar in gesprek gaan. Festivals, marktdagen, buurtfeesten en culturele happenings nodigen daartoe uit. Ze zijn echter te occasioneel om blijvend effect te hebben.

De meest efficiënte maar ook de meest verwaarloosde ingreep om verbondenheid in vrijheid te creëren in de stad, is landschapsarchitectuur, meer bepaald de wijze waarop pleinen worden ingericht. Helaas, men bereikt vaak het omgekeerde.

Pleinvrees

Het merendeel van de stedelijke open ruimtes hebben een centrifugale werking op mensen. Een voorbeeld daarvan is het heringerichte stationsplein van Leuven. Het mag dan een van de beter geslaagde creaties van landschapsarchitectuur worden genoemd, want het ademt ruimte, toch werkt het niet als een verzamelaar van mensen. Het dubbelplein tussen het Leuvense station en de Bondgenotenlaan is te weids en te leeg. Haast niemand dwarst het plein, bijna allen lopen langs de zijkanten om de leegte heen.

De evolutionaire psychologie vertelt ons dat de mens van nature de open ruimte mijdt. Als hij niet kon wegduiken achter een boom of een struik, was hij een reddeloos verloren prooi. Pleinvrees is wellicht een pathologische variant van dat oeroude instinct van zelfverdediging dat nog in onze genen zit en ons nog steeds open ruimtes doet mijden.

Centripetaal werkt een plein enkel als er iets te doen, te zien of te koop is. Toen het Leuvense Martelarenplein nog een groezelige, smoezelige plek was met frietkramen en bushaltes, stonden overal groepjes mensen. De keren dat het nieuwe stationsplein in Leuven mensen in zijn schoot wist te verzamelen, was bij manifestaties (zoals met het Glazen Huis van Music for Life). Mensen willen niet het onbeschermde centrum van de leegte zijn, in het vizier van iedereen, maar de omringde deelgenoot van de actie.

Project for Urban Spaces

Dat pleinen en hun aanleg, open ruimtes en hun inrichting aantonen dat wij sociale wezens zijn, heb ik op een bijzondere manier ervaren tijdens een weekje New York. Ik stelde tot mijn verrassing vast dat op de plaza’s, de open en al of niet groene ruimtes tussen de wolkenkrabbende kantoorgebouwen, vaak enkele tientallen losse terrasstoeltjes staan.

De Vlaamse terrasjescultuur gewoon, dacht ik dat die stoeltjes toebehoorden aan een horecazaak, maar café of tearoom was nergens te bespeuren. Waar kwamen die stoeltjes dan vandaan? Bij navraag bleken ze daar geplaatst te zijn door het stadsbestuur. Het idee kwam van socioloog en urbanist William Whyte (1917-1999), de grondlegger van het Project for Urban Spaces.

Hij had vastgesteld dat mensen graag verpozen op pleinen, omdat ze nu eenmaal in een drukke stad snakken naar ruimte. Mensen hebben de neiging om te gaan zitten aan de randen. Desnoods zetten ze zich neer op muurtjes of vlijen ze zich neer op trappen. Het zitgedrag wordt, constateerde Whyte, minder gestuurd door het zitcomfort dan door het sociale comfort.

Dat sociale comfort wordt bepaald door twee menselijke verlangens: het verlangen om gerust gelaten te worden en het verlangen om contacten te leggen. Ze lijken tegengesteld, maar ze zijn complementair. Elke mens wil zichzelf zijn en deel uitmaken van een gemeenschap. Vrijheid zonder verbondenheid maakt eenzaam, verbondenheid zonder vrijheid is verdrukkend.

Lounge in openlucht

Steden hebben de neiging om pleinen aantrekkelijk te maken door ze af te boorden met banken. Gezellig, denken de bestuurders. Te dwingend, voelen de mensen aan. Niet alleen het aantal zitplaatsen ligt vast, ook de kijkrichting. De meeste mensen aarzelen bovendien om te gaan zitten op een bank waar al iemand heeft plaatsgenomen.

Het idee van William Whyte in New York werd en is nog steeds een schot in de roos. De voorheen gemeden pleinen zitten elke zonnige dag vol. Iemand sleept een stoeltje achter zich aan en gaat ergens alleen zitten dromen, kijken of lezen. Anderen schuiven stoeltjes bij elkaar voor een rondje praten en genieten. Bovenal, de stoeltjes blijven niet aan de rand staan, maar worden meegenomen naar alle plaatsen, inbegrepen het centrum, van het plein. De plaza wordt als het ware een salon of een lounge in de openlucht.

De verplaatsbare stoelen die vrijheid en verbondenheid toelaten en de keuze tussen beide verlangens bevorderen, hebben er ook voor gezorgd dat het wandelgedrag rond en over het plein veranderde. Mensen lopen niet alleen langs de randen, maar dwarsen ook gemakkelijker de voorheen desolate ruimte.

Of hoe de subtiele landschappelijkheid aantoont dat de mens tegelijk een individu en een socius is en wil zijn.

 

Bron: De Redactie – 28 oktober 2014

Laat een reactie achter