Leefloners en de armoedeval: ‘Wat schoenen over een gezin vertellen’

Lieve Pollet ondervindt dat een leefloon en de inzet van OCMW’s en vrijwilligers niet altijd volstaan om gezinnen in armoede te helpen.

Meer dan tachtig procent van de Belgen vindt dat de overheid kinderen in armoede voorrang moet geven. Zeventig procent vindt dat ze extra maatregelen moet nemen om alleenstaande moeders met hun kinderen te beschermen (DS 4 december). Laat dat nu de groep zijn die heel vaak aanklopt voor een voedselpakket bij de Vincentiusvereniging. Blijkbaar slagen ze er niet in met een leefloon zichzelf en hun kinderen te onderhouden.

Lucia, een fonds voor kinderen in armoede onder de twaalf jaar, krijgt in Limburg veel meer aanvragen dan de verzamelde middelen toelaten te verwerken. Van beide initiatieven, de Vincentiuswerking en Lucia, ben ik samen met vele anderen vrijwilliger. De hulpvragers zijn vaak doorgezonden door de maatschappelijk werkers van het OCMW of medewerkers van Kind & Gezin. Die kennen de gezinnen door en door.

Veel van die gezinnen hebben geen regulier inkomen wegens onvoldoende scholing, psychische of fysieke ziekten of in het verleden opgebouwde schulden. Vaak gaat het om moeders die alleen hun kinderen moeten opvoeden en geen beroep kunnen doen op familie om ze op te vangen.

Fruit is voor arme gezinnen een luxe. Ironisch genoeg bevatten voedselpakketten wel suikergoed

Van 1990 tot 2000 was ik OCMW-raadslid en mocht ik met mijn mederaadsleden de dossiers, aangebracht door een maatschappelijk werker, mee beoordelen. Toen, ik beken het, vond ik de Vincentiusvrijwilligers paternalistisch. Ik was ervan overtuigd dat de gemeenschap door een leefloon toe te kennen kon voorzien in de noden van de hulpvragers. De federale overheid en de plaatselijke gemeenschap keerden het leefloon uit. Dat en de begeleiding door de medewerkers moest de cliënten weer vlot krijgen. Niet dus. De groep die aanklopt, zwol jaar na jaar aan, ondanks de inzet van steeds meer begeleiders om de mensen in het regulier arbeidscircuit in te schakelen.

Geen geld voor schooluitstappen

Waar er onvoldoende sociale woningen zijn en de mensen op de private huurmarkt aangewezen zijn, is de situatie nog schrijnender. Nadat de huur en de vaste kosten betaald zijn, schiet er nauwelijks 50 euro over per week om voeding, kleding, gezondheidskosten of kosten voor de school te betalen.

Voor de kinderen is dit het ergste. Er is geen geld voor de uitstappen en de extra’s waar klasgenootjes niet over moeten nadenken. Kinderen die in armoede leven vragen keer op keer thuis geld waarvan ze weten dat het er niet is. Voor de moeders is het nog erger dat ze noodzakelijke gezondheidskosten of gezond voedsel niet kunnen betalen.

Fruit is in die gezinnen een luxe. Ironisch is wel dat in de voedselpakketten meer dan voldoende suikergoed voorhanden is. De vrijwilligers doen elk jaar weer extra inspanningen om met de feestdagen fruit te voorzien. Ze verzamelen kleren, goederen voor de weggeefwinkel, speelgoed en schoenen. Schoenen. Kijk naar iemands schoenen en je weet precies hoe groot de nood is. Vooral voor de immer groeiende voeten van de kinderen schieten de middelen van een gezin tekort.

Leefloon, hulp door pakketten gefinancierd door Europa, voedselbanken en vrijwilligers: extra gelden van altijd te kort komende fondsen slagen er niet in een vijfde van onze gezinnen in veilig vaarwater te loodsen.

Het OCMW en vrijwilligers slagen er niet in deze gezinnen afdoende te helpen. Waarom? Wie moet het voortouw nemen om een hele gemeenschap te overtuigen dat deze groep intenser begeleiding nodig heeft om de kloof tussen diegenen die hebben en diegenen die ontberen te dichten. Diegenen die mee genieten van wat de welvaartsmaatschappij te bieden heeft en diegenen die de kruimels moeten oprapen.

Als vrijwilliger ben je bedeling na bedeling blij dat je hebt kunnen helpen, maar besef je keer op keer dat het niet zo zou mogen gaan.

Bron:  De Standaard 

Laat een reactie achter