Nu de militaire strijd tegen IS lijkt te zijn gestreden, riep Donald Trump zijn Europese bondgenoten op om ‘hun’ IS-strijders ‘terug te nemen’ en in Europa te berechten. De bereidheid daartoe is beperkt. Premier Charles Michel (MR) pleit ervoor om de IS-strijders ter plaatse te berechten en roept op tot internationale coördinatie. Vicepremier Alexander De Croo (Open VLD) wil het Iraakse gerechtssysteem daar niet verder mee belasten en pleit ervoor om een nieuw internationaal oorlogstribunaal op te richten.

De veiligheidsexperte Jessika Soors ziet de oprichting van een internationaal tribunaal in Irak als een schijnoplossing, omdat niemand twee keer voor dezelfde feiten veroordeeld kan worden (DS 19 februari). Maar hoewel een aantal van de Belgische Syriëstrijders hier inderdaad al is veroordeeld, geldt het ne bis in idem-principe alleen binnen dezelfde staat of ‘jurisdictie’ (met uitzondering van de EU). Niets belet om Syriëstrijders die al in Europa werden veroordeeld in Irak te vervolgen, en al zeker niet voor een internationaal tribunaal dat hen zou vervolgen voor misdaden onder het internationaal recht, zoals oorlogsmisdaden. Bovendien zouden ze niet voor dezelfde feiten vervolgd worden. De Belgische rechtbanken hebben de Syriëstrijders alleen veroordeeld voor ‘indirecte’ terroristische misdrijven zoals ‘deelname aan de activiteiten van een terroristische groep’. Die vergen geen bewijs van onderliggende, materiële misdaden.

Foltering in Irak

Dat De Croo de IS-strijders niet voor de nationale rechtbanken van Irak wil brengen, is terecht. Eind 2017 rapporteerde de ngo Human Rights Watch dat Irak (vermeende) IS-leden in summiere terrorismeprocessen berecht, waarin zij bijna uitsluitend veroordeeld worden voor lidmaatschap van een terroristische groep. Dat gebeurt zonder onderscheid naargelang van de ernst van de internationale misdaden die zij mogelijk hebben gepleegd. Als bewijs volstaan vaak beschuldigingen van de plaatselijke bevolking, of zelfs bekentenissen verkregen op basis van foltering. De omstandigheden van detentie zijn er erbarmelijk, en veroordelingen kunnen de doodstraf tot gevolg hebben. Bovendien heeft Irak geen gecoördineerde vervolgingsstrategie, kunnen slachtoffers niet betekenisvol deelnemen aan de processen en gaat veel informatie verloren doordat het minste bewijs volstaat voor een veroordeling.

“Het is belangrijk om de slachtoffers te betrekken bij de procesvoering”

Als wij ‘onze’ Syriëstrijders in België zouden berechten, zou slachtofferparticipatie eveneens moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Zoals ik al aanhaalde, is het vervolgingsbeleid van het federaal parket voor Syriëstrijders uitsluitend gericht op indirecte terroristische misdrijven. Die strategie is begrijpelijk, omdat het in deze situatie moeilijk is om bewijs te vergaren. Maar dat betekent ook dat je de wreed­heden die in Irak en Syrië zijn gepleegd, niet zult blootleggen door Belgische Syriëstrijders over te brengen.

Na elk gewapend conflict is er nood aan een overgangsjustitie die niet alleen de schuldigen straft, maar ook tegemoet probeert te komen aan het recht op waarheid. Alleen het bovenspitten van de waarheid kan leiden tot een betekenisvolle berechting van de schuldigen en tot herstel van de rechtsstaat, kan een gebroken samenleving in staat stellen om te verwerken wat er is gebeurd, en kan verzoening mogelijk maken tussen voormalige vijanden. Hoe onwaarschijnlijk dat ook mag klinken voor een groep als IS: conflicten van alle tijden en van overal ter wereld leren dat op termijn alleen verzoening tot een stabiele vredessituatie kan leiden.

Hybride straftribunaal

Berechting gebeurt om die redenen het best ter plaatse. Samenwerken met het Syrische regime is voorlopig onmogelijk, waardoor Irak in zicht komt. Maar gezien de manier waarop Irak de processen voert, is het geen goed idee de berechting van Europese Syriëstrijders volledig aan het Iraakse gerechtssysteem over te laten. Wel is het belangrijk om de slachtoffers te betrekken bij de procesvoering. Daarom is een ‘hybride’ straftribunaal de beste oplossing. Wat rechters en het toepasselijke recht betreft, bevat dat zowel internationale als lokale elementen. Dergelijke tribunalen zijn succesvol gebruikt na de conflicten in Sierra Leone en Cambodja.

Daarbij is een gecoördineerde her­oriëntering van de vervolgingsstrategie nodig. Als we de internationale misdaden die IS heeft begaan, vervolgen – oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide – in plaats van indirecte terroristische misdrijven, zal dat een veel kwalitatievere gerechtigheid opleveren. Die helpt de waarheid aan het licht te brengen. We kunnen voortbouwen op het werk van de verschillende VN-mechanismen die al begonnen zijn bewijs van die misdaden te verzamelen. Idealiter integreren we de vervolging van alle IS-strijders, zonder onderscheid naargelang van hun nationaliteit, om een centraal archief te creëren. Veroordeelde Europeanen zouden wel hun straf in het land van hun nationaliteit kunnen uitzitten.

Dit hybride tribunaal zou in tandem kunnen opereren met een waarheidscommissie, naar het bekende Zuid-Afrikaanse voorbeeld. Daar zouden mensen die geaffilieerd waren aan IS, maar die geen ernstige misdaden hebben gepleegd, alternatieve straffen kunnen krijgen in ruil voor hun medewerking en verhaal. Bovenal kan zo’n commissie de participatie en het verhaal van de slachtoffergemeenschap centraal stellen, en bijdragen aan een begin van verwerking en verzoening.
Het is aan België en zijn bondgenoten om dit momentum te grijpen en te tonen dat zij het recht kunnen doen zegevieren.

 

Bron: De Standaard

Laat een reactie achter