Guido Vanheeswijck: Traditie zonder inhoud? Het christendom is geen ‘culturele’ pasmunt

De heisa rond Aron Berger als kandidaat op de Antwerpse CD&V-lijst en de diverse politieke reacties daarop lijken op het eerste gezicht te draaien rond het statuut van onze “christelijke” tradities. Tegenover de apologeten van de ‘neutrale’ seculiere samenleving waarin religieuze tradities geen plaats mogen hebben staan de culturele verdedigers van het behoud van tradities. Maar dit gekrakeel rond het al dan niet bewaren van onze (christelijke) tradities verbergt een dieperliggend probleem. Gaat het om traditie met of zonder inhoud? Moeten tradities worden behouden, gewoon omdat zij culturele tradities zijn, of moeten tradities op hun inhoudelijke merites worden beoordeeld?

Vandaag, zo meent de Canadese filosoof Charles Taylor, leven we met betrekking tot het christendom niet zozeer in een revolutionair als wel in een postrevolutionair klimaat. In een revolutionair klimaat keerden vrijzinnigen zich uitdrukkelijk tegen het dominante christendom en vice versa. Dat klimaat heeft Vlaanderen tijdens de laatste halve eeuw gestempeld. In een postrevolutionair klimaat is het daarentegen alsof de strijd gestreden is en het pleit definitief beslecht in het voordeel van degenen (‘the brights’) voor wie elk spreken over bijvoorbeeld goddelijke transcendentie hopeloos verouderd is. Wie toch nog probeert op basis van geloofsovertuiging een christelijke levenshouding te verdedigen, krijgt makkelijk het odium van fundamentalisme of achterlijkheid op zich geladen.

Het vigerende cultuurchristendom – waarin religieuze overtuigingen argwanend worden bekeken – is van dit postrevolutionair klimaat een duidelijk symptoom. Cultuurchristenen beschouwen zich immers als ‘verlichte’ mensen die niet langer geloven in een transcendente goddelijke werkelijkheid, maar aan die voorbije culturele traditie wel hun waarden beweren te ontlenen. Terwijl het einde van de vorige eeuw beheerst werd door een zogenaamd postmodern waarheids- en waardenrelativisme, wordt vandaag dus opnieuw het belang van de eigen culturele tradities, waarden en geplogenheden erkend. Nu eens doet men beroep op de waarden van de Verlichting (die, aanvankelijk universeel, nu tot West-Europa worden herleid), dan weer op de culturele (niet de religieuze) verworvenheden van het Westerse cultuurchristendom (of op een mix van beide) om de Europese (en Vlaamse) identiteit te verdedigen.

Maar wat verstaan zij onder de “normen en waarden van het cultuurchristendom”? Het afbranden van ‘Gutmenschen’ als naïevelingen? De verdediging van het harde vluchtelingendiscours? Moslims en joden tegenover elkaar uitspelen? Het gratuit verbinden van migratie met afbraak van sociale zekerheid? Op 3 september 2015 reageerde Europees president Tusk nog op dit ‘misbruik’: “Voor mij betekent het christendom in het publieke en sociale leven dat men een plicht heeft ten opzichte van broeders in nood. Verwijzen naar het christendom in een openbaar debat over migratie moet in de eerste plaats betekenen dat men bereid is tot solidariteit en opoffering. Voor een christen zou het niet mogen uitmaken welk ras, religie of nationaliteit hulpbehoevenden vertegenwoordigen.” Daarna hebben we uit de Europese en Vlaamse ‘cultuurchristelijke’ cenakels van de macht nog nauwelijks iets gehoord.

Is het naïef om vandaag nog op een dergelijke tegenreactie te hopen? Gaat het alleen om platte politieke spelletjes, op zoek naar electoraal gewin? Toch mogen politici niet vergeten dat juist de levensbeschouwelijk meest fijngevoelige mensen haarfijn het verschil aanvoelen  tussen authentieke of gespeelde verontwaardiging, tussen authentieke of gespeelde overtuiging. Zij geloven dat authentiek christendom elke vorm van modieus (progressief en conservatief) denken uitdaagt, dat het altijd een teken van tegenspraak is. Vanuit dat geloof merken zij vlug of de verdediging van het zogenaamde cultuurchristendom meer inhoudt dan wat Sören Kierkegaard ooit de cultuurchristenen van zijn tijd verweet: “Laat ons het christendom op zijn oude dag toch niet veranderen in een waarde wiens zaak is achteruitgegaan en die nu iets wil bedenken om nieuwe klanten te lokken.” Het christendom is geen ‘culturele’ pasmunt. Toch niet voor het bord linzensoep van de volgende verkiezingen.

Bron: Knack.be

Laat een reactie achter