Relatietherapeut en bestseller auteur Alfons Vansteenwegen: ‘Ik wil mensen verheffen’

De paus van de relatietherapie in Vlaanderen, zo mag je Alfons Vansteenwegen zonder meer noemen. ‘Liefde is een werkwoord’ werd niet alleen een bestseller, maar ook een begrip. Het was en is nog altijd een standaardwerk over liefde en relaties, of beter over ‘gevende liefde die gelukkig maakt,’ zoals hij het zelf zegt. ‘Nochtans vinden mijn kinderen dat er enkel evidenties in staan,’ lacht hij. Een gesprek over liefde, zingeving, spiritualiteit, waarden en ‘verschilligheid’.

‘Ik heb heel veel kansen gekregen, zegt hij als we het interview beginnen. Ik mocht tot mijn dertigste studeren: filosofie, theologie, psychologie, seksuologie, en daarna nog een doctoraat schrijven. Maar een huisman ben ik nooit geworden,’ knipoogt hij, als zijn echtgenote de koffie brengt. ‘Ik bewonder mijn zonen, die doen heel veel in het huishouden!’ Alfons Vansteenwegen is een harde werker, als dienst aan de mens. Dat heeft hij van zijn vader, van het college en de KSA. Daar pikte hij ook het verheffingsideaal op: ‘Met je talenten moet je de mensen en de wereld beter maken.’

Welke nieuwsfeiten houden u wakker?

Ik ben het meest bekommerd om de onverschilligheid van de bevolking. Blijkbaar zijn mensen steeds minder geïnteresseerd in waarden en levensopvattingen. Gemakshalve vergeten ze dan dat ‘in niets geïnteresseerd zijn’ ook een levensopvatting is. ‘Verschilligheid’ vind ik heel belangrijk, als tegenpool van onverschilligheid. Ik werk nu aan een stuk waarin ik de vele betekenissen van ‘verschilligheid’ uitwerk. Daarmee wil ik plaats maken voor waarden, spiritualiteit en zingeving. Wetenschap is tot veel in staat, maar je moet haar grenzen kennen. Slecht begrepen wetenschap leidt soms tot materialisme, sciëntisme en reductionisme.

U schreef een boek over de grenzen van die wetenschap …

Inderdaad, maar blijkbaar vond Liefde is meer dan chemie haar weg naar het publiek niet. Ik denk dat daarvoor twee redenen zijn. De eerste is dat mijn analyse klopt en er veel onverschilligheid is. Zingeving blijkt bij de brede bevolking niet meer in de mode. Daarnaast zie ik een koerswijziging in de manier waarop vele mensen omgaan met wetenschap. Vroeger werd wetenschap aanbeden, nu zien we soms het tegendeel: ze wordt niet meer ernstig genomen.

Kijk bijvoorbeeld hoe sommige media omgaan met een geleerde die tien jaar werkt aan een onderzoek. Hij stelt zijn resultaten voor, zeer genuanceerd en precies, en onmiddellijk daarna wordt aan enkele mensen in de straat gevraagd wat zij denken van de conclusies van professor X. Het is toch wel bijzonder kort door de bocht en relativistisch als je wetenschapsresultaten herleidt tot meningen! Op zijn minst kun je zeggen dat de professor zijn ‘mening’ grondig getoetst heeft en daarbij rekening hield met de strengste methodologische eisen.

Iedereen heeft zijn mening en elke mening telt, maar niet elke mening is evenveel waard. Er is wel degelijk een hiërarchie in de waarden en in de waarheid. Zelfs een aanhanger van Gaia zal eerst zijn kind redden en pas daarna zijn zeven katten als zijn huis in lichterlaaie staat. Je maakt een denkfout als je alles gelijkschakelt. Alles en iedereen is verschillend, maar wij kennen een waarde toe aan het verschil. Man en vrouw verschillen in bijna alles, maar wij beslissen bijvoorbeeld dat ze gelijk zijn in waarde.

Hoe staat u tegenover die opmars van het relativisme?

Ik ben er in elk geval zeer van onder de indruk omdat ik mijn hele leven de christelijke waarden wou doorgeven. Ik wou ten dienste staan van de maatschappij en daarbij hoorde ook dat ik de mensen wakker wilde houden. Dat klinkt wellicht een beetje elitair: je gaat in een positie staan van ‘ik weet toch wel iets’. Dat zit nog altijd diep in mij ingebakken.

Tijdens mijn lezingen amuseer ik de mensen altijd, ik wil dat ze lachen in het begin en bijna huilen op het einde. Als het niet lukt om mijn publiek te raken, ondervindt mijn vrouw dat achteraf (lacht). Tegelijk wil ik een degelijke boodschap meegeven over relaties. Ik heb duizenden koppels gezien en ik wil aan een breder publiek vertellen wat ik van die mensen in therapie heb geleerd.

Hoor ik daar een missionair trekje?

Ja, dat missionaire aspect zit zeker in mij. Wel eerder in het propageren van levensvragen en mensen aanmoedigen om te blijven zoeken dan in het geven van antwoorden en daardoor mensen in slaap te wiegen. Ik heb inderdaad nog iets van de oude tijd in mij, ik wil mensen verheffen. De sociale man die met de buren praat en de wijk in stand houdt, dat ben ik niet. Een echte teamspeler ook niet. Ik ben eerder een solist. Ik ben zo opgevoed: Je moet het zelf doen, je moet niet zeuren.

Welke ervaringen uit uw kindertijd en jeugd hebben uw leven vormgegeven?

Ik ging naar het college in Leuven. Daar werden we opgeleid om ‘ons volk te verheffen’. In de KSA kregen we dezelfde filosofie mee. Thuis ben ik opgevoed in een warm christendom. We kregen de boodschap mee dat alles goed komt en dat je goed moet zijn voor de mensen. Die hele sfeer van angst, zonde, schuld en boete waarin veel van mijn leeftijdgenoten opgroeiden, herken ik niet.

Mijn moeder was een zeer christelijke vrouw. Mijn vader was hoofdlaborant aan de universiteit van Leuven. Ik herinner mij hem als een zeer kritisch en verstandig man, ook al ging hij maar tot zijn veertiende naar school. Elke zondag kregen we thuis van hem nog een extra commentaar op de preek van de pastoor. Hij ontleedde grondig alles wat die gezegd had en was het vaak niet met hem eens. Daarnaast was hij ijveraar bij de Bond van het Heilig Hart. Die zaten één keer per maand om 8u ’s morgens en bloc in de kerk. Mijn vader was ook onverbiddelijk en consequent rationeel. Uiteindelijk is hij daardoor zijn geloof verloren. Hij heeft een prachtige biografie over zijn leven geschreven. Die wordt nu bewaard in het Stadsarchief van Leuven.

Hoe was de sfeer bij u thuis?

Eigenlijk waren wij een gesloten gezin. Samen hadden we het gezellig en waren we gelukkig. Wat dichtbij was, was goed. De buitenwereld met zijn vreemdelingen en vreemde talen ervaarden we een beetje als een dreiging. Daarom waren we wat allergisch voor café’s en het volk dat daar kwam. Hard werken werd sterk aangeprezen. Werken maakt namelijk gelukkig en je verdient er ook je boterham mee. Toch vond mijn vader dat de sociale verschillen te groot waren. Ongelijkheid in de maatschappij kon niet volgens hem. Waarom moest de ene mens tienmaal meer verdienen dan de andere?

Wat was uw grote droom als kind en tiener?

Ten dienste staan van de mensen! Als kind wilde ik daarom priester worden. Dat was niet zo gek met verschillende nonkels die paters en missionarissen waren en met de vele priester-leraars op school. Ik ging naar het seminarie, heb mijn theologiestudies afgerond, maar heb me niet laten wijden.

Wat hield u tegen om priester te worden?

Het was de tijd van de grote veranderingen. Velen dachten dat het Tweede Vaticaans Concilie het celibaat zou afschaffen. Toen bleek dat dat niet zou gebeuren, was het voor mij ondenkbaar dat ik zonder gezin door het leven zou gaan. Ik wou wel ten dienste blijven staan van de maatschappij. Daarom koos ik voor een studie in de psychologie.

Ik was ervan overtuigd dat ik via therapie mensen zou kunnen helpen. Ik heb dat altijd heel graag gedaan en ik denk ook dat ik daarin goed werk heb geleverd. Ik heb veel geleerd, zowel van mijn leermeesters als van mijn patiënten.

Ging u als afgestudeerde psycholoog onmiddellijk aan de slag als relatietherapeut?

Nee, na mijn opleiding tot psycholoog werkte ik in de psychiatrische kliniek, onder andere in Lovenjoel bij dokter Johan Verhulst. Die wilde een centrum voor relatietherapie oprichten. Dat bestond namelijk nergens. Zijn vernieuwend initiatief heeft heel mijn verdere leven bepaald. De toenmalige directeur van de psychiatrische kliniek stemde in met de oprichting van zo’n centrum, op voorwaarde dat de therapie in handen was van therapeutenechtparen. Daarop vroeg dokter Verhulst of ik samen met mijn vrouw wilde meedoen. Maureen (nvdr: Maureen Luyens, de bekende seksuologe) was in die tijd nog werkzaam in de arbeidspsychologie. We hebben toen samen de opleiding tot therapeutenpaar gevolgd. Tegelijkertijd koos ik voor een opleiding in de seksuologie omdat ik die kennis nodig had om relatietherapie te kunnen geven.

Toen dokter Verhulst naar Amerika vertrok, nam ik zijn vakken over en ik doorliep alle trappen van docent tot gewoon hoogleraar. Dat was in de faculteit geneeskunde. Die positie was nooit makkelijk: de toenmalige artsen aanzagen psychologen vaak als hun uitvoerend personeel, en dat is nu nog erger dan toen.

Wat sprak u aan in relatietherapie?

Therapie geven heb ik altijd ervaren als dienstverlening aan mensen die het moeilijk hebben. We deden dat met een team. Mijn boek Liefde is een werkwoord is dan ook geen eenmanswerk, zoals vaak wordt gedacht, maar het resultaat van een collectief. Ik was enkel de auteur: ik schreef de neerslag van ons fameuze drie wekenprogramma in Lovenjoel. Daar organiseerden we een residentieel verblijf voor koppels met relatie- en seksproblemen. Dat was een bijzonder originele aanpak.

We inspireerden ons ten dele op Masters en Johnson die in Amerika intensieve begeleiding voor echtparen aanboden in luxueuze hotels. Bij ons betaalden de deelnemers een bijdrage die berekend was op basis van hun inkomen. Bovendien kwamen de mutualiteiten ook tussen, omdat we werkten vanuit de psychiatrische kliniek. Daarom konden we medische attesten van werkonbekwaamheid uitreiken. Precies dat aspect zorgde later voor terughoudendheid bij de deelnemers: ze wilden liever niet dat het woord psychiatrie in hun curriculum voorkwam.

Hoe zag dat originele drie wekenprogramma eruit?

Ons programma bestond uit drie delen: lessen, oefeningen en therapie. De lessen kun je nalezen in het boek. Die werden voor elk koppel aangevuld met oefeningen die ze samen of in groep konden doen. En dan was er nog anderhalf uur therapie per dag bij een co-therapeutenpaar. Inderdaad een zeer intensief programma!

We ontwierpen een onderhandelingsmethode waarin gedrags-, systeem- en belevingselementen werden gecombineerd. Die wordt in Nederland bij de bemiddelaars de ‘methode Vansteenwegen’ genoemd.

Als therapeuten hebben wij zelf alles al doende geleerd. Ik ben opgeleid als client-centered therapeut. Dat betekent dat je zeer weinig werkt met theoretische modellen, wel met de ervaringen en belevingen van je cliënten. We combineerden die invalshoek met een gedragstherapeutisch groepsprogramma. Als je het enkel houdt op gedragsveranderingen ben je namelijk alleen educatief bezig in plaats van psychotherapeutisch. De gedragstherapeutische vaardigheden kreeg ik aangeleerd door professor Cornelis Bakker, de auteur van de bestseller Verboden Toegang. Hij kwam vier jaar na de oprichting van ons centrum naar hier als visiting professor. We ontwierpen een onderhandelingsmethode waarin gedrags-, systeem- en belevingselementen werden gecombineerd. Die wordt in Nederland bij de bemiddelaars de ‘methode Vansteenwegen’ genoemd.

Wat hebt u geleerd in al die jaren dat u relatietherapie gaf?

Met koppels werken vond ik altijd bijzonder interessant. Ik denk dat ik een goede therapeut was, omdat ik goed kon luisteren en mensen met elkaar aan het werk kon zetten. Tussen partners zijn er altijd verschillen en nuances. Ik vroeg me soms af of die twee mensen die voor mij zaten echt met elkaar getrouwd waren wanneer ik hoorde hoe verschillend het verhaal klonk dat ze elk vertelden over hun relatiegeschiedenis. Daardoor heb ik geleerd dat je eigen zicht op de zaak eigenlijk een relatief zicht is. Als je verschillen wegmoffelt, krijg je conflicten.

Er zijn heel zeker manieren om destructief met verschillen om te gaan. Ruzie maken, bijvoorbeeld. Daarom is het zeer zinvol om met elkaar te leren medeleven, om te leren onderhandelen en te leren seksueel te genieten. Dat wilden wij aan onze deelnemers aanbieden. Ik wilde voor hen vechten, zowel voor hun relatie als voor elk van hen apart. Ik stond steeds achter allebei!

Ik schreef mijn doctoraat over de outcome van relatietherapie. Wat bewijst dat effectonderzoek? Dat vele mensen veel van ons programma hebben opgestoken. Dat doet mij plezier. Tegelijk was het ook mijn opdracht, de maatschappij betaalde mij daarvoor. En ik heb mijn taak met veel inzet ter harte genomen.

Hoe rijmt u dat respect voor verschillen met uw opdracht om mensen te verheffen? Dat gaat toch gepaard met de de overtuiging van een zekere waarheid?

In een koppel is er niet één waarheid. De waarheid valt altijd te construeren. Elk van hen moet eerst naar buiten komen met hun beleving. Dan komt er in een volgende fase misschien iets gemeenschappelijk uit. Ik geloof dus niet in de opgelegde waarheid, wel in een verworven waarheid. Waarheid moet je nuanceren, want die zoek je samen.

In een koppel is er niet één waarheid. De waarheid valt altijd te construeren.

Uiteraard zijn er wel regels over de methode van communiceren, maar we zeggen niet hoe koppels moeten samenleven of waar ze met hun  relatie naartoe moeten. Wij reiken middelen aan, zij kunnen zelf zoeken naar oplossingen. We zijn geen garagisten.

In dat aanreiken van beproefde communicatie- en onderhandelingsmethoden zit toch een directief aspect?

Er is inderdaad een methodische waarheid die mensen helpt om goed te communiceren. Spreek over jezelf in plaats van de ander te verwijten, is bijvoorbeeld een kapitale regel. Het directief aspect gaat niet over de inhoud, wel over de manier waarop je zoekt naar verheldering van wat je elkaar wil zeggen.

In de therapie brengen wij alles terug tot de beleving van beide partners. Van daaruit moeten zij als koppel zelf de kwaliteit van hun relatie maken en bepalen.

Wat als er bijvoorbeeld sprake is van partnergeweld? Is er geen waarheid over onderste grenzen die iedereen moet respecteren in een relatie?

Dat is een goede vraag die moeilijk te beantwoorden is. Geweld kan uiteraard niet. Als we er toch over horen, zouden we dat moeten aanklagen bij de politie. Dat is de regel op wereldniveau, maar we doen dat niet.

Waarom niet?

Echt gewelddadige koppels zie je uiterst zeldzaam in relatietherapie. Die komen niet naar ons. De koppels die wij in therapie zien en bij wie geweld een rol speelt, zijn vaak koppels die afwisselend in een opwaartse en neerwaartse spiraal zitten. Het geweld is dan wel aanwezig, maar de verbindende elementen tussen de partners zijn sterker. Ze zijn ook gemotiveerd om aan hun problemen te werken.

Die mensen behandelen en benaderen we als alle anderen. Veel geweld komt trouwens voort uit onmacht. Het is geen reactie van de sterke, zoals vaak wordt gedacht. Het is meestal de zwakke partij die slaat of drinkt. Mensen met een zware verslavingsproblematiek namen wij trouwens niet in therapie.

Verschilligheid is cruciaal. Dat herhaalt u vaak, ook in uw boeken. Denkt u dat die aandacht voor het verschil in relaties verdwijnt?

Te veel paren verwachten dat het verschil tussen hen beiden vanzelf zal verdwijnen. Maar je kunt de vele verschillen pas overbruggen als elke partner zich daarvan bewust is: dat is ‘verschilligheid’ in een paar. Het is een voorwaarde voor echt samen zijn. Liefde neemt het verschil niet weg, maar helpt om het te overbruggen.

Ik heb ooit eens gezegd: Het huwelijk is verdampt. De sociologe Bea Cantillon verwees toen naar de statistieken om dat tegen te spreken. Toch klopt het gedeeltelijk. De manieren waarop we relaties vorm geven, is veranderd. Het instituut huwelijk heeft geen prioriteit meer. Er zijn nu verschillende vormen van rituelen en engagementen. Vandaag zie je hoe mensen meerdere samenleefrelaties in één leven kennen. Dat kan zowel met een man als met een vrouw. Je hebt bewust alleenstaande moeders en plusmama’s. Dat zijn wel degelijk veranderingen.

Binnen deze samenleefrelaties bestaat zeker en vast veel liefde, maar de instituties zelf zijn toch in waarde verminderd. Vroeger was er teveel façade. Ik vind het goed dat die nu is afgebroken. Ik sta heel accepterend tegenover alle samenleefrelaties, als mensen maar gelukkig zijn samen. Dat rituelen naar de achtergrond verdwijnen, is een andere zaak. Als het huwelijksinstituut minder sterk staat, heeft dat ook invloed op de relatiekwaliteit.

Hoe toont die verminderde relatiekwaliteit zich dan?

Ik zie soms een verbruikersmentaliteit in relaties en dat vind ik heel erg. Ik heb al vaak hetzelfde voorbeeld aangehaald dat mij jaren geleden sterk heeft aangegrepen. Een koppel van ongeveer 35 jaar kwam bij mij op consultatie. Ze waren beiden hoog opgeleid en hadden goede professionele posities verworven. Ze verwachtten hun tweede kindje. De man zei over zijn vrouw: Ik heb eruit gehaald wat erin zit, nu zoek ik mij een ander. Dat noem ik een ziekte. Die houding vind ik niet ethisch. De mens is inderdaad niet monogaam, maar duurzame relaties zijn zinvol en gevende liefde blijft voor mij een waarde.

Hoe staat u tegenover scheiding?

Natuurlijk moet je niet ondanks alles blijven geven aan je partner en tegen de klippen op verder doen met je relatie. Maar als je opnieuw begint, doe het dan liefst met een perspectief van duurzaamheid. Dat aanvoelen is toch veranderd in onze maatschappij.

Over het impact van scheiding op kinderen heb ik al vaker stelling ingenomen. Een scheiding beschadigt kinderen altijd. Of dat impact negatiever is dan leven in een destructief gezin? Daar is geen wetenschappelijke duidelijkheid over. Die is er wel over de last die kinderen ondervinden als ze elke week moeten verhuizen van papa naar mama en omgekeerd.

Welke rol speelt zingeving in relatietherapie?

Ik werk aan de waarden van de mensen die bij mij komen, het is niet mijn rol om mijn persoonlijke waarden op te dringen. In mijn stijl en houding komt uiteraard wel iets over van mijn overtuiging dat gevende liefde gelukkig maakt. Die dienstbare houding spreek ik niet expliciet uit, het is eerder een onderstroom.

Als mensen hun eigen geloofsovertuiging ter sprake brachten, werkten we uiteraard wel met wat ze aanbrengen. We exploreerden hun levensopvattingen als ze daartoe bereid waren, maar we voerden geen nieuwe waarden in.

Hoe staat u persoonlijk in het leven?

Gevende liefde maakt tevreden, dat is mijn overtuiging. Ik probeerde ten dienste te staan van mijn cliënten en studenten. Nu ben ik veel meer gericht op onze uitgebreide familie en kleinkinderen.

Daarnaast heb ik me altijd intensief ingezet in vele verenigingen, allemaal op vrijwillige basis. Dat zag ik als mijn maatschappelijke dienstverlening. Ik sta bijvoorbeeld mee aan de wieg van de officiële erkenning van psychologen en psychotherapeuten. Om tot dat resultaat te komen, hebben we jaren aan een stuk maandelijks vergaderd.

U noemt uzelf nog steeds een christen. Wat betekent geloof voor u?

Ik heb heel lang een beeld gehad van God als een persoon, maar dat kan ik nu niet meer plaatsen. Vroeger sprak ik veel met God over alles wat me bezig hield. Ik was een zeer gelovig man. Ook nadat ik besloot om geen priester te worden, zette ik me jarenlang op vele manieren in voor het geloof. Ik heb echt van het geloof genoten. Ik zat mee in de universitaire parochie en deed aan dienstverlening in mijn eigen parochie. Ik leidde hier bijvoorbeeld jarenlang de zang.

De naoorlogse jaren van het christendom vond ik prachtig. Ik ging ongelooflijk op in religie. Toch ging ik ook toen al op zoek naar de essentie van het geloof. Ik las kritische boeken zoals Honest to God van John Robinson en The secular meaning of the gospel van Paul Van Buren. Ik las Rudolf Bultmann en Paul Tillich. Ik wou mijn intellectuele reflectie doorzetten tot op het bot. Zelfs toen ik nog op het seminarie zat, was ik al behoorlijk kritisch. Het ging zover dat ik bijna buiten gegooid werd. Volgens één van mijn docenten dreef ik de ontmythologisering namelijk een beetje te ver.

Ik kon met God steeds moeilijker tot een ik-gij-verhouding komen. Ik bewaarde wel de essentialia van het christelijk geloof. Later ben ik nog verder geëvolueerd in mijn kritisch denken. Ik zag God als diegene die ons leven zin geeft, als de Achtergrond, de Diepte en de Kern van alles, als datgene waarvoor je je leven geeft. Die uiterste instantie was voor mij God. Zoals elke woord geeft ook het woord ‘God’ een deel weer van onze menselijke ervaring. Door God te definiëren als dat wat zin geeft aan ons leven, de laatste Betekenaar, kon ik het woord God blijven gebruiken. Nu ben ik eerder een zoekende, atheïstische christen, bekommerd om de christelijke waarden, maar zonder God of hiernamaals.

Hoe staat u nu tegenover religie?

Ik spreek liever over spiritualiteit dan over religie. Spiritualiteit is breder dan religie. Ik sta als mens altijd in verband met een groter geheel en daarom schrijf ik ‘werkelijkheid’ soms met een hoofdletter. Die geef ik geen persoonlijke kenmerken, want die ervaring ben ik kwijt geraakt. Ik kan wel heel dankbaar zijn tegenover het leven. Voor mij valt dat ook onder spiritualiteit. Kun je dankbaar zijn tegenover iets? Tegenover een groter geheel? Of alleen maar tegenover Iemand? Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik heb geleerd dat je ontzettend moet oppassen als je denkt te weten wat God zegt of vraagt. Ik ben allergisch voor mensen die stellig overtuigd zijn van Gods wil en durven spreken ‘in de naam van God’! Ik ben maar een arme denker, ik kan die gedachteknopen niet maken.

Ik zie de mens als een zoekend wezen. God is het voorwerp van de zoekende mens die niets vindt. Ik vind het belangrijk om zinvragen te blijven stellen en te blijven zoeken, ondanks alles. Ik ben opgeschoven van een traditioneel christendom naar een bredere zingeving. Zingeving vind ik zeer belangrijk. Een echte gelovige weet dat zijn verlangen oneindig is en tegelijk onvervulbaar. Godsdienst sluit die zoektocht dikwijls af omdat religie ervan uitgaat dat ons verlangen wel vervulbaar is en dat er wel waarheden bestaan die gepropageerd kunnen worden.

Spiritualiteit blijft open, wil levensverrijking en levensverdieping, gaat in op de dingen maar kent geen dogma’s. Dat was ook de houding van Jezus. Jezus van Nazareth is zeker heel belangrijk voor mijn spiritualiteit. Hij is mijn hoofdfilosoof. Ik blijf in de thematiek rond geloof heel geïnteresseerd. Ik blijf over dat thema lezen. Recent nog: A secular age van Charles Taylor, The case of God van Karen Armstrong, Esprit de l’athéisme van André Comte-Sponville en Homo Deus van Yuval Noah Harari. Ik ben altijd bezig geweest met zin en onzin.

Hoe gaat u om met moeilijke momenten?

In het algemeen heb ik heel veel geluk gehad in mijn leven, ik ben gespaard gebleven en ben nog niet vaak met intens lijden geconfronteerd. Mijn vader is op een nacht gestorven in zijn slaap. Mijn moeder was dement en is overleden in onze aanwezigheid. Ze waren allebei 89. Hun leven had zijn zin gehad. Ik kon hun dood plaatsen.

Ook de confrontatie met het relationele en psychologische leed van mijn cliënten was bemeesterbaar. We zochten altijd naar een oplossing, of we leerden hen hoe ze konden leven met hun moeilijkheden. Dat waren geen zaken van leven of dood.

Iets anders is het als je bijvoorbeeld hoort over een kind van zeven dat ongeneeslijk ziek is. Dan bots je op een muur van eindigheid en zinloosheid. Daar heb je geen zalf voor. Dat is een radicaal harde werkelijkheid waarvoor je geen troost vindt. Die situatie moet je ondergaan en daar word je een beetje dof van. Als dat lijden lang aansleept, wordt dat een ingesleten groef.

Ik was een keer in Lourdes. Daar zie je een optocht van miserie, waar blijkbaar toch positief mee te leven valt als je je overgeeft in geloof. Dat vond ik indrukwekkend, maar ik kan het niet.

Bent u bezig met uw eigen eindigheid?

Voor mezelf ben ik bang om net als mijn opa dement te worden. Toch ben ik nog niet bezig met mijn eigen dood of met die van mijn vrouw of kinderen, want die stellen het goed. Anderzijds heb ik van de Duitse filosoof Martin Heidegger geleerd dat je pas echt leeft als je beseft dat je kunt dood gaan. Ik zeg altijd dat hij me mijn onsterfelijkheid heeft afgenomen.

Onlangs zijn enkele vrienden weggevallen. Eén van hen is ethisch altijd zeer bewogen gebleven, ook al stond hij verder van het geloof. Toch wou hij de ziekenzalving ontvangen vooraleer hij stierf. We hebben namelijk geen humanistische versie van dit sterke ritueel. Voor huwelijken, begrafenissen en voor kinderen die twaalf jaar worden, creëren we prachtige alternatieve rituelen. Maar voor stervende mensen? Absoluut niet. Spiritualiteit zit nochtans ook in het aanreiken van zulke rituelen. Dan ontkom je er niet aan om je vragen te stellen over het leven na de dood. Dat is niet makkelijk. Je komt er niet meer met een filosofische theorie die de mens opsplitst in een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel, zoals sommige priesters nog steeds doen.

Welke mensen hebben u geïnspireerd?

De leer van Jezus van Nazareth heeft mij zeker fundamenteel getekend! Mijn ouders hebben mij geleerd wat gevende liefde is. Ook de priester-leraars leerden ons wat het betekent je in te zetten. Zij stonden letterlijk dag en nacht ten dienste van ons. Daarnaast waren ze allemaal proost van een jeugdbeweging of een sportclub. Hun inzet was werkelijk heel groot. Ze leidden ook het zangkoor waaraan ik van jongs af aan met veel plezier deelnam. Naar mijn leiders in de KSA keek ik ook op.

Ik leerde het scherpst kritisch denken onder de invloed van professor Albert Félicé. Op filosofisch vlak was Gabriel Marcel mijn tegengif tegen het donkere existentialisme van Jean-Paul Sartre. Professor Alphonse De Waelhens leerde mij de fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty begrijpen. Dat betekende heel veel voor mij. Ik kreeg van hem en van professor Antoon Vergote daarnaast een zeer goede introductie in het psychoanalytisch en Lacaniaans gedachtegoed. In de kliniek van Lovenjoel was dat samen met de fenomenologie ons fundament. In onze psychotherapie-opleiding werd ik beïnvloed door het positieve mensbeeld van Carl Rogers en het systeemdenken van Gregory Bateson.

Van Martin Heidegger onthoud ik dat we sterfelijk zijn en dat we ons leven als een opdracht moeten zien. Ons leven valt ons ten deel, aan ons om er iets van te maken, tegen de onverbiddelijkheid van de dood en het opgaan in de alledaagsheid in.

Ik herkende me helemaal in wat de joodse filosoof Emmanuel Levinas schreef in zijn meesterwerk Totalité et infini. Vooraleer ik zijn boek las, beschouwde ik mezelf eigenlijk als een soort heer en meester die betekenis geeft aan de werkelijkheid. Levinas heeft daar een barst in aangebracht. Hij heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben, dat de anderen mee de werkelijkheid tot stand brengen. Ik had in mijn theologielessen uiteraard geleerd over mijn naaste. Maar Levinas trok dat verder door. Hij zei dat de naaste je aankijkt en je heerschappij doorbreekt. Hij wees mij op het belang van inzet en verantwoordelijkheid. Ook zijn relationele definitie van de tijd is me altijd bijgebleven: de toekomst die op ons afkomt, is volkomen origineel en onbekend, je weet daar niets van. Hetzelfde geldt voor de ander, voor je naaste. Die is ook volkomen origineel. Dus besloot hij: tijd is de afstand tussen u en mij.

Dokter Johan Verhulst is in mijn leven een belangrijk man geweest. Hij heeft me veel geleerd over therapeutische vaardigheden. Omdat hij naar Amerika is vertrokken, kreeg ik de kans om het centrum voor relatietherapie in Lovenjoel te leiden. Dat toeval heeft zeker een grote rol gespeeld in hoe mijn leven is verlopen.

En vanzelfsprekend heeft mijn vader een grote invloed op mij gehad. Ik was me daar zelden van bewust, maar nu begin ik dat steeds meer te zien. Dertig jaar geleden zou ik hem misschien niet genoemd hebben.

U bent een grote filmfan?

Toen ik ongeveer zeventien was, ging ik naar alle films van Ingmar Bergman kijken. Sommige heb ik wel vijf keer gezien. Op één of andere manier gaan ze altijd over zingeving, God, de aanvechtingen van het geloof en relatieproblemen. Denk aan Het zevende zegel en zeker en vast aan De avondmaalgasten. Mijn interpretatie van die laatste film is dat de dominee zijn geloof verliest, maar als atheïstische christen toch zorgvuldig blijft omgaan met de rituelen, als kostbare schatten. Bergman heeft me ook bepaald in mijn interesse voor samenleefrelaties. Denk aan Scènes uit een huwelijk. Zowel beide films als de serie zijn magistraal.

Mijn eindwerk in de theologie ging over hoe God in films aan bod komt. De films die ik besprak, moesten wel radicale kunstwerken zijn vooraleer ik ze meenam in mijn thesis. Religieuze kunst moet eerst en vooral kunst zijn. Dat is zeker het geval bij Ingmar Bergman. De manier waarop hij religieuze thema’s in zijn films integreerde, was ook echt filmisch verantwoord. Later heb ik voordrachten gegeven over Bergman. Ik heb nog steeds een hele reeks glasdia’s met uittreksels uit zijn films. Als student was ik gedurende twee à drie jaar filmcriticus en ik gaf opleiding om mensen te leren hoe ze een filmforum konden houden. Tijdens mijn soldatentijd in een Brussels hospitaal was ik verpleger voor zwaar verbrande patiënten en deed ik dienst op de reanimatie. Na mijn werkuren kon je mij in het Filmmuseum vinden.

Vooral stille films trokken me aan, zeker uit de tijd van het Duitse expressionisme, maar ook Russische en Amerikaanse werken en het vroege Italiaanse neo-realisme. Ik schreef recensies en maakte interviews met cineasten voor het studentenblad Universitas. Tot in 1970 was dat mijn hobby. Alvast één ding bleef daarvan over: elk jaar keek ik  telkens opnieuw met ontroering naar de film Who is afraid of Virginia Woolf die ik aan mijn studenten toonde.

Naast film ben ik een fan van Dirk Bouts, één van de Vlaamse Primitieven. Zijn Laatste Avondmaal dat in Leuven hangt, is een meesterwerk. De stad beschikt over twee originelen van hem. Ik ijver er daarom voor om een Dirk Bouts-museum te openen. In Delft hebben ze een museum van Johannes Vermeer en daar hebben ze enkel kopieën. Waarom dan niet in Leuven een Dirk Bouts-museum?

U leidde jarenlang de zang in uw parochie. Wat hebt u met muziek?

Tot mijn zesentwintigste heb ik altijd in een koor gezongen. Ik heb de vijf jaar van het conservatorium uitgedaan. Het zal het je niet verbazen dat ik elke dag naar Klara luister en verzot ben op Bach, de hele barok en andere klassieke muziek. Af en toe gaan we naar de opera. In dat genre ben ik best wel thuis. Enkele jaren geleden hadden we het grote geluk dat we de hele Ring des Nibelungen van Richard Wagner konden meemaken in Bayreuth. Dat is een liturgie van een hele week!

U schreef zelf vele boeken en uw boekenkasten puilen uit. Wie zijn uw lievelingsschrijvers?

Vanaf mijn zestigste heb ik me voorgenomen alleen nog klassiekers te lezen, zoals Ulysses van James Joyce, De Verloofden van Manzoni en werk van Dante, Marcel Proust, Oscar Wilde, Mitchell, Cervantes, Melville, de grote Russen, de Franse en Engelse klassiekers. Van die waardevolle auteurs heb ik veel opgestoken.

Ik heb een voorliefde voor Duitse literatuur. Zo heb ik het oeuvre van Thomas Mann gelezen in de oorspronkelijke taal, maar ook Zweig, Fallada, Böll, Lenz, Döblin en Musil passeerden de revue. Mag ik mijn blijvende bewondering voor Felix Timmermans, Anton Van Wilderode en Rutger Kopland daaraan toevoegen?

Uw recentste boek dat volgend jaar zal verschijnen, gaat over een gesprek tussen een kleindochter, Ella, en haar opa. Ze hebben het over vergeten waarden. Welke belangrijke zaken zijn we uit het oog aan het verliezen?

Trouw vind ik een waarde die nauwelijks nog bestaat. Mensen leven te vaak als eindverbruikers. Die hebben geen trouw nodig want ze willen hier en nu genieten en consumeren. Met trouw ga je de toekomst in, die is nooit zeker, je maakt een sprong. Ben je dan niet meer vrij? Dat hangt er vanaf hoe je vrijheid definieert. Wat is vrijheid? Voor mij is dat de mogelijkheid om te kiezen voor het goede. Als je kiest, leg je je vast. Als je trouw belooft, zeg je dat je je gaat engageren voor een persoon, een waarde, een godsdienst, een ambt. Je moet niet onverbiddelijk worden in je trouw, maar ik pleit ervoor om je toch blijvend te engageren.

Enkele andere vergeten waarden zijn bijvoorbeeld dankbaarheid, tevredenheid, geduld, mildheid, edelmoedigheid en zachtmoedigheid. Daarnaast vind ik ook inzet en engagement belangrijk. De tegenwerping luidt dan dat alles toch kan veranderen. Dan verlies je toch? Ja, inzet kost iets. Inzet gaat over de drempel van het ‘ondanks’ heen.

Echtheid is ook belangrijk. Er is veel schijn, veel fake news. Kunnen zijn wie je bent, wordt daardoor des te waardevoller. Echt zijn, ondanks druk om je te conformeren, ondanks het risico dat het niets opbrengt en het je zelfs last berokkent, dat vind ik waardevol.

Welke levenswijsheid hebt u meegegeven aan uw eigen kinderen?

Veel meer dan met woorden hebben wij waarden voorgeleefd. Gevende liefde maakt tevreden, is mijn verborgen slogan. We hebben geluk met onze kinderen, ze hebben al meer dan tien jaar een goede relatie. Bij mijn emeritaat heeft mijn jongste zoon een speech gehouden. Daarin zei hij dat hij niets nieuws had gelezen in mijn boeken, dat hij alles al wist (lacht). Humor, samen lachen en elkaar aan het lachen brengen vind ik trouwens ook heel belangrijk in een relatie.

Daarnaast heb ik aan mijn kinderen geleerd dat werken belangrijk is. Ik heb zelf vele uren gewerkt, zowel professioneel als via mijn vrijwillig engagement in tal van verenigingen. Dat maakt gelukkig.

Welke levenshoudingen vindt u belangrijk?

Van een theoloog in Ierland hoorde ik twee dingen waarin ik niet goed was, maar die wel belangrijk zijn als je godsdienstig bent: vieren en ontvangen. Ik herkende onmiddellijk mezelf. Ik ben namelijk moeilijk tevreden met een geschenk. Niet omdat ik ondankbaar ben, maar omdat ik niet goed kan ontvangen en eerder wil geven. In het feesten begin ik langzaam beter te worden. Samen vieren doet je een beetje uitstijgen boven jezelf.

Relativeren en van perspectief wisselen vind ik ook belangrijk. Bij mij hoef je niet aan te komen met algemene uitspraken of algemene waarheden. Daar ben ik tegen, ik wil namelijk zelf nadenken.

Van Jezus van Nazareth houd ik over dat gevende liefde gelukkig maakt. Ik vind gevende liefde een beter woord dan ‘liefde’, dat alles kan betekenen. En uiteraard hecht ik aan het basisinzicht van Levinas dat de ander mij verantwoordelijk maakt, alhoewel hij dat soms tot in het overdrevene uitwerkte.

Van Jezus werd gezegd: Hij ging weldoende rond. Dat vind ik een hele mooie uitspraak. Die christelijke waarde van zachtmoedigheid spreekt me zeer aan.

Verder wil ik niet zomaar-wat-aan leven. Een houding van we zien wel of het et alors? van de voormalige Franse president François Mitterand en après nous la déluge vind ik erg. Ik ben tegen cynisme, dat geeft toch geen levensvervulling? Ik plaats intensiteit van leven tegenover zomaar-aan-leven. Spiritualiteit staat voor mij een beetje gelijk aan waardevol leven. Spiritualiteit is niet alleen levensverdieping, maar ook begeestering. Als mensen begeesterd zijn, ontstaat er een heel andere sfeer. Begeesterd leven is enthousiast leven, levensgoesting ervaren en anderen laten delen in jouw begeestering. Het doet me denken aan het charismatische appel uit mijn jeugd: Groot en meeslepend zullen we leven!

Welke projecten staan nog op stapel?

Ik heb niet veel professionele doelstellingen meer. Ik geef nauwelijks nog therapie. Ik geef bijzonder graag lezingen voor een breed publiek en zou dat graag nog meer doen. Ik zet me in voor mijn familie. Mijn ‘opaboek’ over vergeten waarden is klaar. Liefde is een werkwoord kende 46 herdrukken en werd in negen talen uitgegeven. Het kreeg een aanbeveling mee van de vermaarde therapeuten David Schnarch en Jürg Willi. De Turkse vertaling is bijna rond na twee jaar werk, nu nog een goede uitgever vinden. Dat doet allemaal veel plezier. Toch blijft het één van mijn dromen om ook een volwaardige uitgave van de Engelse versie te realiseren.

Interview: Johan Van der Vloet en Ilse Cornu
Foto’s: Johan Van der Vloet

Bron: MagaZijn, Values Magazine

 

Laat een reactie achter