Nogal wat filosofen stellen onze tijd in het teken van het verlies van het tragische levensgevoel. De consumptiemaatschappij, de ontwikkeling van de sociale zekerheid, de langdurige afwezigheid van oorlog in het Westen en vooral de verlenging van de levensduur van mensen zouden het besef van de broosheid van het mensenleven uit ons bewustzijn hebben verdrongen.

Dit staat dan in tegenstelling tot vroegere maatschappijen en tijden, toen mensen  voortdurend leefden met het gevoel dat de hemel op hun hoofd kon vallen, dat het lot zich tegen hen kon keren en dat daar niets aan te doen was. Het vooruitgangsoptimisme, het vertrouwen in de mogelijkheden van de techniek ook, is in de plaats van het tragische gekomen. Als we een probleem hebben, dan stellen we de vraag: ‘Waar is de specialist die dit kan oplossen?’ En als dat niet lukt, dan worden we boos.

De recente financiële crisissen hebben dit optimisme geschokt. Plots realiseren we ons dat geld een menselijke institutie is, even vergankelijk als alle andere menselijke instituties, dat banken en zelfs staten kunnen failliet gaan, dat het ondenkbare denkbaar is. Om te kunnen functioneren heeft geld vertrouwen nodig, een oneindig groot vertrouwen zelfs. We vertrouwen erop dat onze kinderen later, als we op pensioen zijn, het geld dat we in ons actieve leven sparen, zullen aanvaarden. En die kinderen zullen dat enkel doen als ook zij er zeker van zijn dat hun kinderen hetzelfde zullen doen. Als verwacht kan worden dat – al was het maar ergens in de verre toekomst – een generatie het geld van zijn voorgangers niet meer zou aanvaarden, dan is dat onmiddellijk een bedreiging voor het monetaire vertrouwen hier en nu.

Dat vertrouwen is nu geschokt. Wie een beetje lucide is weet dat de staatsgarantie voor bankdeposito’s tot 100.000 euro niet veel meer zal betekenen als het echt slecht gaat, dat wil zeggen als er echt een financiële systeemcrisis op wereldvlak uitbreekt. En sowieso zullen regeerders in de verleiding komen om de reusachtige overheidsschuld die nu wordt opgebouwd, onder andere door het overnemen van dubieuze leningen van banken en private actoren, niet door besparingen, maar door inflatie te reduceren. Inflatie, dat betekent dat het geld dat we nu sparen voor ons pensioen later minder waard zal zijn.

Economen hopen op een zachte landing van de internationale conjunctuur. Geen drastische afschrijving van de dubieuze schulden, met een al even drastische contractie van de economische groei tot gevolg, maar een sanering die de groei niet in gevaar brengt. Dit is gevaarlijk omdat men met deze strategie meer van hetzelfde doet. Het probleem is de gezwollen schuldenlast die in de wereldeconomie is opgehoopt en daar doet men nu nog een schep bovenop. Op die manier blijft men flirten met de grote systeemcrisis.

Crashes

Het tragische gevoel mag dan al wat weggeëbd zijn, helemaal onbekend is het bewustzijn te leven op de rand van de catastrofe toch niet. Na de tweede wereldoorlog ging een siddering door de wereld toen men zich ging realiseren dat voortaan de mens zichzelf kon uitroeien door een kernoorlog. En de voorbije decennia was er de ecologische crisis. Wellicht is die een ernstiger bedreiging voor de wereld dan de financiële perikelen, maar zo wordt het niet altijd gepercipieerd. Als puntje bij paaltje komt, zijn mensen meer bezorgd om hun bezit, hun zuur verdiende spaarcenten, dan om een relatief onvatbare bedreiging van de klimaatregeling bijvoorbeeld. Dit alles is nu in onze geesten gaan resoneren.  Het zijn niet alleen de beurskoersen of het klimaat die kunnen crashen. Plots lijkt de mogelijkheid van een crash overal op de loer te liggen. Mensen om ons heen raken in depressie of krijgen een kankerdiagnose. Hun lieve echtgenoot of echtgenote wordt hun ex. En ja, het kan zo plots omslaan. De hemel kan eensklaps op ons hoofd vallen.

Toch is er een verschil tussen die persoonlijke crashes enerzijds en de mogelijke ecologische catastrofe of de financiële systeemcrisis anderzijds. Persoonlijke crashes zijn vaak pure pech. Maatschappelijke catastrofes daarentegen lijken het gevolg van een ketting van menselijke beslissingen die op het ogenblik dat ze genomen werden vaak de enig mogelijke leken, maar die in feite het gevolg waren van tunneldenken. We hadden collectief andere keuzes kunnen maken, of we kunnen het nog steeds, maar we hadden en hebben niet de moed om het te doen. We weten sinds 2008 dat we spaarbanken en zakenbanken weer moeten gaan scheiden, waarbij de eersten alleen veilige beleggingen doen en de tweede ook op de beurs kunnen opereren en meer speculatieve transacties kunnen doen. We hadden een Tobinbelasting kunnen invoeren, en beloningssystemen voor CEO’s die de lange eerder dan de korte termijn belonen. Vele van de beste economen hebben dit verdedigd, maar onze politici zijn bezweken voor het lobbywerk van de grootbanken.

Woede

Leven op de rand van de catastrofe: dit is geen doemdenken, geen pessimistisch perspectief ook. Het mogelijke verlies van een stuk van  onze spaarcenten brengt de meesten onder ons allicht nog niet tot de bedelstaf. Bovendien: wie weet heeft van de broosheid van het leven meent daarom nog niet dat de catastrofe onvermijdelijk op ons afkomt. Leven op de rand van de catastrofe betekent dat het kan kantelen in de ene of in de andere richting. Een relatief zacht landing is inderdaad mogelijk. Maar het kan ook anders uitdraaien. De meest lucide economen geven toe dat ze het zelf niet weten. Het probleem is dat gewone mensen al evenmin als wetenschappers en filosofen weten hoe ze met deze onzekerheid moeten omgaan.

Men voelt evenwel een donkere woede groeien, niet alleen bij de indignados, maar ook bij al die mensen die ooit in volle vertrouwen, gedachtenloos bijna, hun geld hebben toevertrouwd aan Bacob, Gemeentekrediet, de Generale, de bank van hier… Ze kennen Bertold Brecht niet meer, maar ze geven hem wel gelijk: ‘Er zijn twee soorten schurken, diegenen die banken beroven, en diegenen die banken opgericht hebben.’ Dit is geen kwestie meer van links of rechts. De financiële crisis en de ecologische crisis bedreigen rijk en arm. De kleur van de woede – dat wisten de oude Grieken al – is zwart. Wie woedend is ziet geen kleuren meer, geen nuances. Het zwart slorpt alles op.  Aristoteles beschrijft in zijn passieleer de woede als een overweldigende emotie.  Zoals een duiker die van een rots springt zijn vlucht niet meer kan stoppen voor hij het water raakt, zo ook kan woede niet meer gestopt worden als ze eens losbreekt. Laten we hopen dat deze woede de juiste objectieven

 

Bron: De Redactie

Laat een reactie achter