Yvonne Denier & Jos Wouters: ‘Migranten = problemen?’

13 december: dag van de migrant. Als we eerlijk zijn, is dat voor de doorsnee Vlaming niet meteen de dag waarvan hij of zij wakker ligt, tenzij in negatieve zin. Want hoe je het ook draait of keert, de connotatie met migranten en allochtonen is over het algemeen negatief. In onze sectoren, de zorgverlening enerzijds en het onderwijs anderzijds, is het helaas niet anders. Bepaalde maatschappelijke percepties zijn bijzonder hardnekkig.

Allochtonië?

Ten eerste, waarom lijken migranten er – zelfs na drie generaties in België – vaak nog steeds niet bij te horen? Zijn allochtone ouderen ook onze ouderen? En zijn de jongeren ook onze jongeren? Of zijn ze misschien van een andere planeet? Allochtonië? En waarom gaan we er bijna automatisch van uit dat er met hen geen kwaliteit te bereiken is? Of toch niet dezelfde als met ‘gewone’ Belgen?

Kwaliteit?

Als we kijken naar het onderwijs, dan weten al langer dan vandaag dat migranten onvoldoende toegang hebben tot onderwijs. Niet in de zin dat ze niet naar school kunnen of mogen. Ook voor hen geldt de leerplichtwet, maar in veel situaties zijn ze niet welkom op school of in elk geval niet van harte. Vanaf het ogenblik dat er te veel ‘anderstaligen’ zijn ontstaat er een argwanende houding ten opzichte van de kwaliteit van het onderwijs in die school en koppelt de goegemeente dit verschijnsel bijna automatisch aan ‘problemen en moeilijke situaties.’ Leerkrachten, directie en bestuur doen dan misschien wel hun uiterste best, maar “dat kan daar toch geen kwaliteitsvol onderwijs zijn.”

Hetzelfde lijkt te gelden voor de zorgverlening. Allochtonen en de zorg? Het geeft onmiddellijk een problematische connotatie. Interculturele zorg wordt dan snel als moeilijk en problematisch gezien: de communicatie verloopt moeizaam, er zijn veel interculturele conflicten op de spoedafdelingen, de bezoekregeling wordt niet gerespecteerd, voedingswensen zijn heel complex, therapietrouw laat vaak te wensen over, etc. Ook hier zien we dat het probleemdenken de vele goede dingen die hulpverleners dagelijks binnen de interculturele zorgverlening realiseren, overschaduwt. Kan men dezelfde kwaliteitsvolle zorg leveren met allochtone zorgvragers dan met autochtonen?

De ene migrant is de andere niet

De beschuldigende vinger wijst steeds in de richting van de anderstalige leerling of patiënt, waarmee we dan steevast de Turken en Marokkanen, Bulgaren, Algerijnen en andere Oezbeken bedoelen. In het onderwijs lijken anderstalige kinderen van hoogopgeleide Engelse, Franse of Duitse West-Europese ambtenaren en managers geen probleem op te leveren indien deze leerlingen in het reguliere onderwijscircuit school lopen. Hetzelfde geldt voor de zorg. Specifieke wensen van anderstalige diplomaten of eurocraten omtrent de zorgverlening lijken minder problematisch te zijn dan die van andere allochtonen. Dit betekent dat het klassiek aangevoerde argument van ‘integratie’ een schijnargument is. Wat de allochtonen betreft, lijken we duidelijk met twee maten en twee gewichten te werken.

Armoede?

Waar heeft het dan wel mee te maken? Voor een groot stuk met armoede, gebrek aan middelen en aan kansen. Onderzoek geeft aan dat er een verband is tussen armoede (zowel kansarmoede als taalarmoede) en de schoolresultaten: des te groter de armoede, des te slechter de schoolresultaten! Toch gaat deze gevolgtrekking niet helemaal op. In de realiteit treft armoede immers niet uitsluitend kinderen van vreemde afkomst. De indicatoren die in het onderwijs gehanteerd worden om de kansen(on)gelijkheid aan te duiden zijn: de opleidingsgraad van de moeder, het inkomen van het gezin, de interne- of externe opvoeding van de kinderen en de vastheid van woonplaats. De thuistaal is een indicator indien deze voorkomt in combinatie met één van de andere kenmerken. Aan scholen wordt gevraagd om voldoende leerlingen in te schrijven die voldoen aan één of meerdere kenmerken.

De eigenaardige vaststelling is dat scholen en hun omgeving hieromtrent problemen signaleren, enkel en alleen wanneer de leerling van vreemde afkomst is, meestal Turks of Marokkaans. Autochtone leerlingen die op één of meerdere indicatoren scoren, blijken scholen geen zorgen te baren. Zij plaatsen geen hypotheek op de kwaliteit van het onderwijs, allochtonen doen dat wel. Dat is in elk geval de indruk die ontstaat in de externe perceptie.

Blijvend engagement

Juist omdat kwaliteit niet altijd evident is, heeft de Vlaamse regering middelen voorzien om die onderwijskwaliteit te verzekeren. Slagen scholen daarin? Ons inziens wel. Er zijn natuurlijk individuele situaties, die de non-believers gelijk geven en de algemeen verspreide opvatting aanwakkeren. Scholen hebben dan ook recht op meer steun van de hele gemeenschap en in het bijzonder van de overheid. Kwaliteit heeft een prijs! In deze tijd waarin besparen over ieders tong rolt, durven we dit toch zonder schroom uitspreken. Bespaar alstublieft niet op de omkadering van scholen die zich al jaren dubbel plooien om kinderen in armoede en kansarmoedesituaties te onderwijzen en op te voeden met hart, ziel en handen.

Diezelfde vaststelling treffen we ook aan in de zorgsector. Interculturele zorgverlening situeert zich ergens in het continuüm tussen ‘zeer inspirerend’ en ‘bijzonder moeilijk’ en zal dit ook blijven doen. Kunnen we, als samenleving, oprecht blij zijn met de vele goede realisaties in dit verband en ze ook een duidelijke plaats geven op het maatschappelijke forum, zodat ze inspirerend kunnen werken voor anderen? Of blijven we steken in probleemdenken? Met haar laatste ethische adviestekst over goede zorg bij etnisch-culturele diversiteit heeft Zorgnet Vlaanderen alvast doelbewust de constructieve optie genomen (zie Ethisch Advies 15 op www.zorgnetvlaanderen.be).

Interculturele dialoog

Wie niet kan zien dat onze samenleving alsmaar diverser en kleurrijker wordt, is blind voor de feiten en voor de toekomst. Dat daarachter vele uitdagingen schuilgaan, zal niemand ontkennen. Dat dit niet van een leien dakje loopt, daarover moeten we niet naïef doen. Maar wat we zeker niet mogen doen, is ons laten leiden door eenzijdig probleemdenken, xenofobie en angst.

Net daarom is er meer dan ooit nood aan een interculturele dialoog en aan een constructieve houding. We moeten blijven investeren in de ontplooiing van elk individu. Laat ons hierbij niet vervallen in politiek correct cultuurrelativisme, waarbij alles voor goed en waar aangenomen wordt, maar ook niet in wederzijds fundamentalisme, waarbij iedereen blijft steken in het eigen grote gelijk en de positie van de ander per definitie minderwaardig wordt geacht. De ander is een eerbiedwaardige mens. Een wederzijds respectvolle houding, een open en eerlijke dialoog kan zowel onszelf als de ander echt de kans geven om zich te tonen zoals hij of zij is.

Tweerichtingsverkeer

Maar laten we ook niet naïef zijn. Wat we hier geschetst hebben, is een algemeen ethisch engagement. In werkelijkheid zal elk geval afzonderlijk moeten beoordeeld worden. We mogen ook de ogen niet sluiten voor situaties waarin men echt niet wenst samen te werken. Het gaat stellig om een tweerichtingsverkeer. In die gevallen waar dat niet gerespecteerd wordt, zullen er inderdaad beslissingen genomen moeten worden die soms repressief van aard zijn.

Maar dat mag nooit ons algemene uitgangspunt zijn. Onze fundamentele ingesteldheid moet er eentje zijn van een blijvend geloof in de kracht van mensen, ook in moeilijke omstandigheden. Had die ene leerkracht destijds niet in Elio Di Rupo geloofd, en niet aan hem gezegd “Plus et en vous!” dan was zijn “Amerikaanse droom” nu niet waar geweest.

We moeten blijven willen investeren in zorg en onderwijs, ook wanneer het niet vlot. Iedereen heeft hier recht op en iedereen – ook de allochtone bevolking – kan zijn steentje bijdragen om dit ook in te toekomst te garanderen. Wat hoe moeilijk het soms ook kan zijn: samen gaat het uiteindelijk toch beter. En daar kies je voor.

 

Bron: De Redactie

Laat een reactie achter