‘Kwaliteit is onze beste reclame. Niet tevreden, geld terug.” Dat zijn wellicht de oudste reclameslogans. Die eerste over de kwaliteit als beste reclame was in zekere zin ook een beetje het handelsmerk van Pukkelpop.

Het festival verkocht zichzelf. Wie er ooit geweest was, zei dat het goed was. Hij of zij kwam terug en nam een paar vriend(inn)en mee. Niemand die ooit gedacht had aan die tweede slogan over geld terug bij ontevredenheid. The times they are a-changin’. Enkele tientallen festivalgangers willen hun geld terug van de laatste keer. Ze hebben ‘hun’ festival immers niet gekregen. Die drankbonnen van Chokri zijn voor hen in alle betekenissen van het woord ‘drinkgeld’. Ze willen het volle gelag. Zo’n orkaan, daar zorg je toch niet zelf voor? Dat is toch wat men overmacht noemt? Kan best, zegt de advocaat van de ‘gedupeerden’, maar dan alleen voor die ene dag, de dag dat de wind de tenten wegblies. De dagen daarna was het windstil, dus… waar was het festival? Dat het dus gewoon had kunnen doorgaan, ook na de doden die waren gevallen? Chokri had ook even met die gedachte gespeeld – niet meteen zijn meest lumineuze idee want te lucratief. Zeker weten, menen sommige Pukkelpopgangers: doden of niet, the show must go on. Niet voor de show maar voor de money. Waar voor je geld. Dus, geen waar voor geld, geld terug! Zo simpel als wat.

Onlangs zei professor Paul Verhaeghe in Te gek op Canvas dat er wel degelijk een Groot Verhaal is vandaag, namelijk dat van het neoliberalisme. Dat verhaal heeft al veel ravage aangericht. Je ziet het aan echtscheidingsstatistieken: een op drie huwelijken loopt op de klippen. Onze relaties zien we steeds meer als louter producten ter bevrediging van onze behoeften. Geen waar voor je geld, bye bye vrouw en kind! Diezelfde verenging tot ‘ik en mijn plezier’ zit achter de eis aan de Pukkelpopdirectie om het entreegeld terug te betalen. De slachtoffers van de orkaan, doden incluis, komen in het plaatje niet eens voor. De zoomlens van het neoliberalisme is immers narcistisch gefocust. Je mag dan met tienduizenden bijeen zijn op zo’n festivalweide, blijkbaar zie je niemand (staan). Dit jongste verwikkeling in de Pukkelpopramp toont nog maar eens hoezeer de tunnelvisie van het neoliberalisme ons denken over recht heeft aangetast. Recht is verworden tot datgene waar ‘ik’ recht op heb. Een ik die helemaal geen rekening hoeft te houden met de gebeurtenissen en de omstandigheden. “Ik heb er recht op”, is wellicht een van de meest gehoorde uitspraken de jongste tijd. Zelfs als het onrechtvaardig is. Dat uit die mentaliteitsverandering procedurepleiters hun slag slaan, wisten we al. En je kunt er, louter juridisch, geen speld tussen krijgen. Op voorwaarde dat recht niets te maken zou hebben met rechtvaardigheid. De Pukkelpophistorie voegt er nu nog een dimensie aan toe: niet alleen heeft recht niets meer te maken met rechtvaardigheid, ze heeft ook niets meer te maken met menselijkheid. We beseffen helaas de gruwel niet van zo’n redenering. Als een onnozel ticket van een paar honderd euro meer waard is dan het respect voor de doden, wat zal er dan gebeuren als echt grote belangen op het spel staan? We zijn goed op weg naar een samenleving zonder respect voor de ander, zonder moraal, zonder medemenselijkheid (ik gebruikte bijna het alvast belachelijk klinkende woord ‘naastenliefde’). Fressen oder gefresst werden? Fijne toekomst dus.

Broederlijk samenzijn?

De onsmakelijke Pukkelpopanekdote van ‘ik moet mijn centen terug’ legt helaas ook een andere leugen bloot. De illusie van het broederlijke en zusterlijke samenzijn op onze zomerfestivals. Alsof Pukkelpop, Werchter en consorten één groot idyllisch scoutsgebeuren zouden zijn, het kampvuur waar de droom van één grote solidaire wereld wordt beleefd. De jaren 60 in uitgesteld relais? Forget it. De massa op onze festivals is geen gemeenschap, ze is de neoliberale toevallige samenklontering van ‘ik moet genieten met volle teugen-individualisten’. Helaas niet veel meer.

 

Bron: De Morgen

Laat een reactie achter