In zijn blog beschrijft Walter Van Steenbrugge de Eerste Wereldoorlog als een strijd tussen de krachten van de Verlichte Rede en de fundamentalistische, dogmatische religie. De IJzer vormde de dam tussen beide krachten, de dam die ons beschermde tegen de blinde terreur in naam van een god…

Het is echter niet helemaal duidelijk welke god Van Steenbrugge precies bedoelt, en aan welke kant die dan wel vocht. ‘God talk’ was in ieder geval nog lang niet uit de mode in het Europa van die tijd en aan beide kanten van de IJzer werd er lustig in het rond gepreekt over een strijd tussen goed en kwaad, tussen licht en duister.

Oorlogstaal op de Duitse kansel

Het Duitse protestantisme bleek het meest kwetsbaar voor de oorlogsretoriek en de Kriegstheologie. Met dogma’s had dat weinig te maken, integendeel, het Duitse protestantisme was net de meest liberale vorm van het christendom, dat – ontdaan van elke externe absolute standaard – het snelst werd meegesleurd door de waanzin van die tijd. De kerken vulden zich, er was sprake van een nieuw Pinksteren. De oorlog was een geneesmiddel voor het individualisme en de zelfzuchtigheid, een strijd tegen de barbarij, tegen de ‘hoer van Babylon’ (lees: Engeland). Het protestantse Duitsland was de hamer van god, waarmee God zijn koninkrijk op aarde zou verwezenlijken.

Predikanten predikten de gewelddadige strijd met een Lutheraanse toon waar Fouad Belkacem nog een puntje aan kan zuigen. Maar ook intellectuelen en de toenmalige culturo’s lieten zich niet onbetuigd. Duitse kerkleiders en professoren, wetenschappers en artiesten deden eind 1914 in een Aufruf een pleidooi voor de oorlog aan de internationale gemeenschap, waarbij zowel de superioriteit van de Duitse cultuur als de goddelijke garantie werd aangehaald als argumenten.

Union Sacrée & Holy War

Aan de andere kant van de IJzer was het niet anders. Eind 20e eeuw kon de Kerk nog de loyaliteit van een overweldigende meerderheid van het Franse volk claimen, die in 1914 allemaal vol overtuiging zouden meestappen in de oproep van president Raymond Poincaré tot een union sacreé. De oorlog was een unieke gelegenheid om – na jaren van onderling gekibbel – de glorie van katholiek Frankrijk te herstellen. Tijdens die oorlog werd Frankrijk het toneel van een groeiend aantal verschijningen, van Maria tot de engel Gabriel, tot – naarmate de oorlog verder woedde – dode soldaten die opstonden om hun strijdmakkers te helpen in hun strijd. Zo werd Jeanne d’Arc een van de grote heldinnen van deze oorlog, wat in geen weinige mate bijdroeg aan haar canonisatie in 1920.

De anglicaanse bisschop van Londen, Arthur Winnington-Ingram sprak over een ‘holy war,’ in zijn preken riep hij op om Duitsers te doden om de wereld te redden in deze ‘oorlog voor zuiverheid’ waarin elke gevallen soldaat een martelaar was. De Britse premier, David Lloyd George sprak over de oorlog als een ‘kruisvaart.’ Verhalen over de wreedheden van de Duitse inval in België werden van op de kansels herhaald, doorspekt met beelden van ‘gekruisigd België’ of een Duits rijk dat had geleden zoals Christus zelf. De dood van jonge Duitse soldaten bij Ieper werd al snel de ‘Kindermord bei Ypern.’ Passendale werd in het Engels ‘passion-dale’, de vallei van het passieverhaal. De taal van het lijden, het offer en de verlossing was alomtegenwoordig, ze was de alledaagse valuta van deze oorlog. In die mate zelf dat de godsdienstfilosoof Philip Jenkins in zijn meest recente boek – waar men dit alles nog eens rustig kan nalezen – spreekt over ‘The Great and Holy War.’

De Apocalyps

Aan beide kanten van de IJzer woekerden ook de apocalyptische beelden, zoals het miljoenensucces van romans als The Four Horsemen of the Apocalypse van Vicente Ibanez uit 1916 aantonen. Bij de Russen was het beeld van de leiders van Oostenrijk-Hongarije en Duitsland als de zevenkoppige draak uit het boek Openbaring wijdverspreid. Het was ook de tijd van de visioenen, de hysterie, de telepathie en de hypnose, van vampiers en spirituele genezingen. Freud en Jung hadden hun handen vol aan dat verlichte Europa, dat niet toevallig vooral in het jaar van Verdun overspoeld werd door spoken.

De verliezer van de oorlog

Als de Grote Oorlog een grote verliezer had, was het niet de religie zelf. Integendeel, de katholieke kerk was met haar pleidooi voor vrede alleen maar internationaal in status gestegen. Franse en Britse clerici hadden zich in de oorlog onderscheidden, in België kreeg kardinaal Mercier lof voor zijn leidersrol in het bezette gebied. De nood aan begrafenissen en herdenkingen alleen al maakte de kerk voor lange tijd onmisbaar in het Europa na de Grote Oorlog… De filosoof Jonathan Ebel spreekt in de context van het naoorlogse Amerika ook eerder over een ‘herbetovering’ eerder dan een ‘onttovering.’

Als er iemand de oorlog verloren had was het (de Duitse) Luther. Maar het Deutschchristendum herstelde zich snel. Met de dolksteeklegende in de ene hand en een vernieuwde dosis antisemitisme in de andere werden de oude zekerheden van 1914 al snel opnieuw verdedigd. Tegelijk kwamen er ook tegenstemmen. Karl Barth, wel eens de grootste theoloog sinds Thomas Aquino genoemd ontwikkelde een theologie die radicaal elke christelijke politiek afwees. Rond hem ontwikkelde zich een school die sommige van de meest belangrijkste 20e eeuwse denkers beïnvloedde (waaronder ook de Bonhoeffer die in 1944 Hitler zou trachten te vermoorden).

Naast een hele generatie Franse en Engelse denkers, en de nouvelle théologie schiep de Grote Oorlog ook de kerk zoals we die vandaag kennen: pluralistisch, antimilitaristisch, en tegen elke vorm van tirannie. Johannes XXIII was een veteraan van WW1, en ook Francisus’ hedendaagse pleidooi voor spirituele wereldlijkheid gaat impliciet terug op de ‘generatie van Verdun.’ Katholieke partijen deden het goed in de politiek en katholieke denkers stonden mee aan de basis van de Europese Unie, wat nog steeds gereflecteerd wordt in de Europese vlag: een kring van twaalf sterren tegen een blauwe achtergrond, het symbool van de maagd Maria.

Zoals gezegd is het niet helemaal duidelijk aan welke kant van de IJzer de Verlichte Rede van Van Steenbrugge vocht in 1914-18… Eén ding is wel duidelijk. Wat Europa betreft bracht de Eerste Wereldoorlog allesbehalve een seculiere wereld. Een oude religieuze wereld werd misschien vernietigd, tegelijk werd een nieuwe gecreëerd. De naoorlogse wereld was dan ook voor een groot deel een ‘laboratorium op een kerkhof.’ Het was een tijd van profetieën, van visioenen van engelen, van dromen van een nieuw Pinksteren, voor Europa evengoed als voor bijvoorbeeld Afrika, dat in de 20e eeuw een religieuze en demografische groei zonder weerga zou meemaken.

Bovendien schiep de Eerste Wereldoorlog ook de moderne islam. Dit was een wereld waarin er niet langer een Kalifaat meer was, en moslims wereldwijd op zoek gingen naar een nieuw politiek houvast – met als gevolg de meer en minder extremistische stromingen waar we vandaag zo’n last mee hebben. Gilles Kepel schreef over de globale terugkeer van religie waarvan het begin gemaakt werd met de eerste wereldoorlog zelf als ‘de wraak van God.’

De geschiedenis vertelt ons een enigszins ander verhaal dan het sterke staaltje van historische amnesie van Van Steenbrugge (dat bij tijden meer weg heeft van een episode uit Blackadder goes forth dan van de geschiedenis).
Het is een van de grootste paradoxen van onze seculiere welvaartstaat dat ze met religieus geweld geschapen is, geweld dat nooit ver onder het oppervlak van de die staat is blijven sluimeren en dat af en toe terug de kop op steekt, in allerlei nieuwe gedaanten, zoals van Steenbrugge’s pleidooi helaas illustreert.

 

Bron: De Redactie – 14 juli 2014

Laat een reactie achter