De herbestemming van kerkgebouwen is nu ook bij ons een realiteit. Dat blijkt uit een aantal recente artikels in de media. Wat ook blijkt uit die artikels, is dat het Vlaanderen en Brussel ontbreekt aan een gedegen visie.

De in de media aangehaalde voorbeelden van herbestemming doen vermoeden dat de toekomst van kerkgebouwen in de radicale ommekeer ligt. Van een strikt sacraal gebouw transformeert het kerkgebouw plots in een huls voor louter seculiere—niet zelden erg commerciële—gebruiken: een nachtclub, of dure lofts bijvoorbeeld. In de Brusselse Helmetkerk plant men zelfs een winkelcentrum. In het beste geval weet de achtergebleven geloofsgemeenschap een klein plekje te vrijwaren in het herbestemde gebouw om zich wekelijks terug te trekken voor de eredienst.

Dragers van herinneringen

Is het zinvol om die projecten te aanvaarden als de nieuwe norm? Allemaal verliezen ze de maatschappelijke betekenis van het kerkgebouw—en in het bijzonder van de parochiekerk—uit het oog. Die maatschappelijke betekenis is zeker niet meer dezelfde als die van het Vlaanderen van de jaren vijftig van de twintigste eeuw, maar dat neemt niet weg dat kerkgebouwen nog steeds bakens zijn die een gezicht geven aan dorpen en wijken en een zekere identiteit aan de omwonenden. Kerkgebouwen zijn bovendien dragers van herinneringen.

Via het systeem van de kerkfabrieken is het voortbestaan van parochiekerken tot op de dag van vandaag verzekerd, op enkele uitzonderingen na dus. De kerkfabrieken bevinden zich dan wel ergens in een schemerzone tussen kerk en staat, toch zijn het geen koude, laat staan neutrale partijen. Dat is zo omdat ze lokaal verankerd zijn, in het verenigingsleven bijvoorbeeld. De materie echter waarmee kerkfabrieken zich noodzakelijkerwijs (en onbezoldigd) moeten bezighouden is wel koud en kil: de administratie wordt er niet eenvoudiger op en ook (bouw)technische dossiers passeren de revue. Daardoor blijft er weinig energie over om acties te ondernemen met betrekking tot de eigenlijke kerntaak: het beheer van de parochiekerk. Er lijkt enkel de keuze te bestaan tussen het loutere ‘rekken’ van de bestaande toestand en het opgeven van de parochiekerk voor een andere bestemming. Beide pistes zijn gezien de omstandigheden begrijpelijk: de financiering van kerkgebouwen staat onder druk, waardoor de kerkfabrieken zich meer dan ooit moeten verantwoorden voor gemaakte kosten.

Opportuniteiten

Daar komt nog bij dat het publiek van de parochiekerken thuis blijft en de bisdommen kampen met een tekort aan voorgangers. Een herdenken van de parochiekerken dringt zich dus wel degelijk op. Maar dat hoeft niet te leiden tot een keuze tussen radicaal behoud en radicale verandering. Beide uitersten kunnen uiteraard, maar gaan voorbij aan het feit dat er meerdere opportuniteiten zijn.

In het brede midden van het spectrum tussen ‘radical stasis’ en ‘radical change’ (om de woorden van de Nederlandse architect Rem Koolhaas te gebruiken) bevindt zich een waaier van mogelijkheden. Die waaier is niet te onderzoeken met enkel ‘vorm’ en ‘functie’ als hulpmiddelen: de maatschappelijke betekenis van het kerkgebouw, de (al dan niet) inbedding ervan in de lokale gemeenschap, de concrete vragen naar ruimte vanuit die gemeenschap, het moet allemaal in rekening gebracht worden. Een dergelijke analyse zal aantonen dat er belangrijke verschillen zijn tussen stad en land. Het probleem van de leeglopende parochiekerk tekent zich vandaag namelijk het duidelijkst af in de rand van de grote steden (de centrumkerken blijven werken als toeristenmagneten) en in uitgestrekte landelijke gemeenten met weinig inwoners.

De Nederlandse aanpak?

In de recente visienota ‘Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerk’ spreekt bevoegd minister Geert Bourgeois zich (onder andere) uit voor nevenbestemming en dat is zeker een stap in de goede richting. De minister roept ook alle betrokken partijen op om samen, per stad of gemeente aan tafel te zitten en na te denken over de toekomst van alle parochiekerken binnen het grondgebied van de desbetreffende stad of gemeente. Het is echter net die gehanteerde schaal van het gemeenteniveau die doet vrezen dat kerkgebouwen inderdaad getaxeerd zullen worden als loutere gebruiksvoorwerpen met een bepaalde verkoopswaarde — de Nederlandse aanpak om het met een boutade te zeggen — zeker in die steden en gemeenten die beschikken over een groot aantal parochiekerken.

Vlaanderen en Brussel hebben heel wat architecturaal talent. Een nieuwe generatie architecten die begrijpt dat het heil niet ligt in de tabula rasa en vervolgens de iconische nieuwbouw dient zich aan. Architecten zien nu in dat de levensduur van een gebouw verder reikt dan het moment van oplevering. Een slim herprogrammeren van een bestaand gebouw—een exemplarisch voorbeeld is de transformatie van een oud Schaarbeeks fabriekspand tot het kunst- en educatiecentrum voor kinderen ‘ABC-huis’ — heeft vaak meer effect dan nieuwbouw.

Betrekkelijk kleine ingrepen, in de maatschappelijke sfeer en op maat van de dorps- of wijkbewoners, die bovendien kunnen co-existeren met de katholieke eredienst en andere diensten van zingeving, vormen een mogelijke oplossing voor de vele parochiekerken in Vlaanderen en Brussel. Maar daarvoor is een open blik nodig; alle betrokken partijen zullen toegevingen moeten doen, zoals ook bleek tijdens het symposium ‘kerk her(be)stemmen’ van 18 november 2010, georganiseerd door de onderzoeksgroep ArcK in Hasselt. Zo beschouwd is het vreemd dat er vandaag nog nieuwe dorpshuizen en parochiecentra gebouwd worden, want die gebouwen geven net onderdak aan een programma dat erg geschikt is voor de parochiekerken.

 

Bron: De Redactie

Laat een reactie achter