G1000, het initiatief van David Van Reybrouck, is een nobele onderneming. Probleem is echter dat ze het falen van de democratie aan het verkeerde uiteinde vastgrijpt: de stem van het volk. De fout zit aan het andere uiteinde: het (gebrek aan) staatsmanschap van veel politici. Dat staatsmanschap verbeter je in een representatieve democratie helemaal niet door het volk te laten ‘beslissen’. Want dan injecteer je het populisme dat de politiek al heeft aangetast, in het systeem. Bovendien, het volk draagt geen verantwoordelijkheid en hoeft aan niemand verantwoording af te leggen. Je kan nooit het volk op de vingers tikken (terecht). De politici wel (terecht). We moeten dus de verantwoordingsplicht van de politici verhogen.

De wil van het volk

Aan Winston Churchill wordt deze uitspraak toegeschreven: ‘Het verschil tussen een politicus en een staatsman is dat de eerste denkt aan de volgende verkiezingen en de laatste aan de volgende generaties.’ Of Churchill dit ook heeft gezegd, is niet zeker. Wel dat hij het verschil kende. Was hij een politicus geweest, zou hij de bevolking van zijn land nooit blood, sweat and tears hebben ‘beloofd’, maar zou hij het op een akkoordje hebben gegooid met Hitler. Het Verenigd Koninkrijk had ten andere geen zin in een nieuwe oorlog – de tol van de vorige was ondraaglijk groot geweest – maar Churchill wist dat in Europa de democratie op het spel stond en dus het lot van de volgende generaties. Om de democratie te redden moest hij tegen de wil van het volk ingaan.

De staatsman moet, ter wille van het algemeen belang, soms zijn geweten boven dat van de volkswil plaatsen. Zeggen dat dit ondemocratisch is, is demagogische prietpraat. Onze westerse democratieën zijn representatieve democratieën: de kiezer geeft voor de duur van de regeerperiode (of tot het parlement zichzelf ontbindt) aan de verkozene de opdracht te handelen: namens hem, maar wel in eer en geweten.

De ‘directe democratie’ van het referendum en acties zoals G1000 verhoogt het democratische gehalte van de samenleving helemaal niet. Zij verhoogt enkel het risico van een irrationele en passionele volkswil die niets te maken heeft met de op vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid gerichte democratie. Van een passionele volkswil profiteert enkel de demagoog.

Staatsmanschap zoekt in de wil van het volk geen excuus om de verantwoordelijkheid te ontlopen. In een representatieve democratie moet de politicus aan het volk een mandaat vragen waarvoor hij verantwoordelijk is en waarover hij verantwoording moet afleggen aan dat volk, zonder zich te kunnen verschuilen achter het volk.

Omdat het de taak is van de politicus om te besturen, omdat hij een algemeen belang ziet dat de individuele burger niet kan zien, en omdat hij langer met zijn geweten moet leven dan met zijn kiezers, kan het gebeuren dat de verkozene, ‘ter wille van het beginsel de woede van zijn collega’s, zijn kiezers en een meerderheid van het grote publiek trotseert’ (John F. Kennedy in Profiles of Courage).

De kiezer maakt achteraf de balans op. In de eerste verkiezingen na de oorlog werd Churchill, de held van de oorlog, verslagen. That’s democracy, luidde Churchills reactie. Hij ervoer wat Edmund Burke al in 1783 had geschreven: ‘Hij zal voortaan weten dat miskenning een noodzakelijk element is van alle echte roem.’

Moet een politicus geliefd zijn?

Roem? Vandaag denken veel politici niet eens aan de volgende verkiezingen, maar slechts aan de volgende peiling. Ze kunnen niet alleen de druk om herkozen te worden niet weerstaan, maar evenmin de druk om geliefd te zijn. Zo duwen ze de kiezer in de rol van fan en zichzelf in de rol van idool. Geen wonder dat partijen op een bepaald moment BV’s een verkiesbare plaats aanboden. Tot bleek dat de politieke houdbaarheid van BV’s van korte duur is. Sindsdien probeert men van politici BV’s te maken. Daardoor wordt evenwel de persoonlijke profilering van de (kandidaat)politicus belangrijker dan diens zakelijke kennis en politieke visie.

Hierdoor wordt democratie verward met populisme, het valse ‘te midden van de mensen’. Een politicus kan ook te dicht bij het volk aanschurken. Dat ontneemt hem de ruimte om te besturen en het remt zijn bewegingsvrijheid om verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Sir Alan Burns, die van 1947 tot 1956 de Britse permanente vertegenwoordiger was bij de UN Trusteeship Council, merkte terecht op: ‘Het geheim van goed beleid is de mensen altijd voor te zijn. Geef ze wat ze willen voor ze weten dát ze het willen.’

Dankzij die ‘voorsprong’ kan een politicus zijn verantwoordelijkheid nemen. Het volk moet achteraf oordelen of het wel dit was wat het wou. Maar veel politici willen niet achteraf worden beoordeeld, ze willen permanent ‘geliefd’ zijn. Daarom passen zij permanent hun visie en hun voorstellen aan de uitslagen van de peilingen aan. Zo ontlopen zij hun verantwoordelijkheid.

Willen ze toch iets op de politieke agenda krijgen, zonder er verantwoordelijk voor te zijn, organiseren ze een perslek of laten ze een proefballonnetje op. Een politiek initiatief volgt slechts als lek of proefballon op publieke goedkeuring kon rekenen. Dreigt een problematiek te leiden tot verhitte debatten, dan proberen ze het thema te depolitiseren in een ‘maatschappelijk debat’. Niet de politiek maar de samenleving wordt hierdoor verantwoordelijk voor de uitkomst. Die verantwoording, daar zit het verschil tussen een politicus en een staatsman. De eerste verschuilt zich achter zijn kiezers, de laatste gaat voor zijn kiezers staan. De plicht om verantwoording af te leggen is nochtans een essentieel element van de democratie. De moderne staatsorde steunt volgens Francis Fukuyama (op drie pijlers: een effectieve staatsmacht, de rechtsstaat en de politieke verantwoordingsplicht. Dat laatste is vandaag voor veel politici een probleem.

De populist kent die plicht niet, hij beweert immers altijd te spreken namens het volk en weigert te spreken tot het volk. Precies daarom is het populisme een bedreiging voor de democratie: het haalt de derde pijler onder de staatsorde vandaan.

Verhindert het tekort aan afstand tussen politiek en publiek de plicht tot verantwoording vanwege de politicus, dan verhindert het tekort aan afstand tussen regering en parlement de controle vanwege het volk (via zijn verkozenen). Het dualisme – parlement versus regering – is essentieel voor de werking van het parlementaire systeem. De macht van de partijen bekort die afstand. Niet alleen stemmen parlementsleden volgens de kadaverdiscipline van de partijlijn, ook wordt tussen regeringspartijen en hun parlementsleden alles vooraf besproken. In feite wordt hierdoor de scheiding opgeheven tussen de uitvoerende en de wetgevende macht. Daarenboven wordt het parlementslid zijn individuele verantwoordelijkheid ontnomen en wordt hem verhinderd een eigen politieke inschatting te maken.

Als de kiezer zou merken dat zijn verkozenen verantwoordelijkheid mogen opnemen, een eigen beoordeling kunnen maken en daarover verantwoording durven afleggen, dan zou het vertrouwen in de politiek terugkeren. De staatsman kan dan opnieuw denken aan de volgende generaties.

 

Bron: De Standaard

Laat een reactie achter