Ze waren te verwachten, de commentaren die de oorzaak van de brandstichtingen, de vernielingen en de plunderingen in de Britse steden zouden zoeken bij de sociaaleconomische context. Niet dat het helemaal onwaar zou zijn dat de groeiende kloof tussen rijk en arm en de kansloosheid van een hele klasse jongeren tot frustraties en misschien wel tot wandaden leiden.  Ook dat de verloedering van de buurt dergelijke frustraties voedt, is een feit (het tijdschrift Science toonde in november 2008 aan dat een wanordelijke straatbeeld antisociaal gedrag in de hand werkt). Die ‘verklaringen’ zijn dus juist maar wel onvoldoende.

Niemand zal ooit durven beweren dat die zelfde sociaaleconomische realiteit – van armoede, kansloosheid en verloedering – in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog de enige oorzaak was voor de Tweede Wereldoorlog. Die feitelijkheid was niet minder maar ook niet meer dan de context waarin de criminelen van het nazisme en hun nalopers hun slag konden slaan. Dus, zoals het Verdrag van Versailles niet volstaat om de gruwel van het nazisme te verklaren, volstaat ook niet de besparingspolitiek van de Britse regering om de rellen in Londen en elders te verklaren.

We mogen de persoonlijke verantwoordelijkheid (en schuld) nooit uitschakelen. Hadden we dat in het geval van de Tweede Wereldoorlog gedaan, dan hadden de processen van Nürenberg geen plaats kunnen vinden, maar zouden misschien wel de geallieerden van de Eerste Wereldoorlog terecht hebben gestaan (zij hadden immers die onzalige Duitse context gecreëerd die tot ‘criminaliteit’ had geleid). Natuurlijk gaat de vergelijking niet op, maar zo ongeveer is de redenering van de commentatoren die alle schuld voor de Britse rellen bij de politiek en de sociaaleconomische context leggen: niet de relschoppers en plunderaars zijn te veroordelen, maar het Britse establishment.

Wat drijft ons toch om de schuld altijd weer van de daders weg te halen? Allereerst, willen we een gevoel van overzicht hebben. Daardoor tillen we gemakshalve de problemen op een hoger, maatschappelijk niveau, waar ons abstractievermogen vat op heeft (want voor individueel crimineel gedrag hebben we geen theoretische verklaring). We zien dus liever het bos dan de bomen: ideeën liggen ons verstandelijk oordeel beter dan feiten. Natuurlijk zijn ideeën belangrijk, maar wel in de mate dat ze de confrontatie kunnen doorstaan met de feiten. En dat is bij de Londense rellen alvast niet het geval.

Geschiedenis sturen

Jongetjes van tien en elf kunnen nog niet zo gefrustreerd zijn dat zij een hele winkel plunderen. Een universiteitsstudent heeft ook alvast meer kansen dan een ongeschoolde knaap. Een jeugdwerker kent wel andere manieren om jongeren te mobiliseren. Maar jongetjes van tien en elf, universiteitsstudenten en jeugdwerkers waren ook betrokken in de rellen. Dit spoort niet met de uitleg.

Wie alleen de ideeën wil zien, wil de werkelijkheid brengen naar zijn analyse in plaats van de analyse uit de werkelijkheid te distilleren. Dat heeft te maken met onze maar niet te stoppen drang om de geschiedenis te sturen of althans vanuit ideeën te verklaren. De geschiedenis is echter geen berekenbaar project zoals Hegel ons wilde doen geloven. Het toeval is meestal belangrijker dan het plan. Dat heeft vooral te maken met het feit dat de belangrijkste factor en actor van de geschiedenis de mens is. De factor mens is sowieso onberekenbaar, alle gedragswetenschap ten spijt; de actor mens is sowieso onbestuurbaar, alle social engeneering ten spijt.

De mens laat immers zijn handelen leiden zowel door redelijkheid als door passie, zowel door de wilskracht van zijn eigen beslissing als door de willoosheid van zijn kuddegedrag. Bovendien wordt dat handelen, bij redelijkheid en bij passie, uit wilsbesluit en uit navolging, mede gestuurd door wat wij het geweten noemen, de morele weegschaal waarop de mens zijn geplande of gepleegde daden legt. Maar die weegschaal wil wel eens anders of niet goed geijkt zijn. En dat heeft met moreel besef te maken, met normen en waarden.

Daar hebben we het liever niet over, immers, het idee van het geweten brengt ons naar de moeilijkste begrippen van het menselijke existentie: de vrije wil en het kwaad. Het zal geen toeval zijn dat het vandaag bon ton is om te beweren (te kunnen bewijzen) dat de vrije wil niet bestaat. Maar wie de vrije wil ontkent, omdat hij hem niet kan ontwaren op de hersenscan, moet ook de moed hebben om elke verantwoordelijkheid te lichten van de schouders van daders. Ze kunnen het immers niet helpen, als ze geen vrije wil hebben.

De negatie van de vrije wil laat ons ook toe om het kwaad te negeren (als je niet helpen dat je iets fout doet, is het ook geen kwaad). Bovendien, wat kwaad is en wat goed, is in een samenleving die slechts één ideaal kent, dat van het ‘goed gevoel’, een kwestie van persoonlijke keuze. Wie van normen en waarden een individuele aangelegenheid maakt, moet echter ook doorredeneren: die Londense jongeren moeten dan ook het recht hebben op een andere opvatting over ‘mijn en dijn’.

Gebeurtenissen als deze in Groot-Brittannië confronteren ons met het morele deficit van deze tijd. En die confrontatie durven we niet aan. Het kwaad an sich kunnen we immers niet verklaren vanuit ons verstand. Kwaad is niet te meten, uit te leggen, te berekenen, rationeel duiden. Alleen een spirituele benadering laat toe om het kwaad te zien in zijn volle breedte en diepte, want bij kwaad krijgen we te maken met het fundamentele mysterie van de menselijke existentie.

Het mysterie ‘kwaad’

Om die spirituele uitdaging te vermijden zoeken we bij elke vorm van criminaliteit naar ‘verklaringen’ die ons toelaten de daad met omtrekkende beweging te omcirkelen, zodat we het mysterie ‘kwaad’ alsnog kunnen vangen in het net van ons verstand. Soms vinden we daarvoor aanwijzingen in de persoonlijke psychologie van de dader (Breivik), soms ontdekken we oorzaken in de sociaaleconomische context (Londen).  Die verklaringen zijn niet onjuist, hoewel onvolledig, maar ze laten ons vooral toe om de grote metafysische vraag over het kwaad te ontlopen. En evenmin de vraag naar het geweten en de plaats van de moraal in de samenleving.

Als we die vragen wel zouden durven stellen, dan zouden we ook constateren dat er tussen de individuele schuld en de sociaaleconomische context nog twee tussenniveaus zijn die  grote morele verantwoordelijkheid dragen: dat van de gezinnen en dat van de populaire media. Twee tussenniveaus die in bepaalde lagen van de (Britse) samenleving hun morele plicht verwaarlozen.

Ook de tabloids mogen, naast de gezinnen, aan zelfonderzoek doen. De amok makende en plunderende jongeren blijken geen onderscheid te maken tussen dijn en mijn. Als frustratie al de bron en protest al het doel van hun optreden zou zijn, wat ik sterk betwijfel, dan uiten ze dat op een erg lucratieve wijze, namelijk door aan de haal te gaan met andermans privégoed. Dat is nu precies waar de tabloids hun business van hadden gemaakt: aan de haal gaan met andermans privéleven.

Bron: De Morgen 

Laat een reactie achter