‘Een Belg op de vijf is single’, stond onlangs in de krant. Dat is een grote groep. Het is ook evident dat jongeren als singles aan hun relatieleven beginnen. Maar laten we het even hebben over de singles vanaf zowat dertig. Hoe gaat het met hen? Zijn die singles gelukkig? Leven singles alleen omdat ze willen alleen leven? Of leven ze alleen omdat ze niet kunnen samenleven? Of leven ze alleen, omdat ze geen partner kunnen vinden of houden? Daar vernemen we in dat recente onderzoek niets over. Toch zijn dat precies de belangrijke vragen. Want ze hebben gevolgen voor de opvoeding. Worden onze jongeren opgevoed om single te worden, of leren ze samen te leven? Het is duidelijk dat wie geleerd heeft goed voor zichzelf te zorgen nog de vaardigheden mist om voor een partner te zorgen. Als men in de opvoeding te veel de nadruk legt op de zelfrealisatie, vergeet men dat de meeste mensen met een partner leven. Niets is zo erg als vrijgezellen in het huwelijk. Ze zien een samenleefrelatie als een middel om eigen wensen en verlangens te vervullen. Ze parasiteren consumerend de relatie. Of zoals een jong kaderlid van een internationaal bedrijf over zijn vrouw zei: ‘Ik heb eruit gehaald wat er uit te halen is! Nu zoek ik mij een ander’. Slechts wie in staat is om te geven, is in staat om samen te leven. Slechts wie in staat is om te geven, is werkelijk volwassen geworden. Krijgend consumeren is typisch voor het kind. De capaciteiten om samen te leven met een partner moeten in onze opvoeding opnieuw meer ontwikkeld worden. Opvoeden tot singledom is goed maar niet genoeg. Jongeren zouden moeten leren en ervaren dat gevende liefde deugd doet. Jongvolwassenen die tot gevende liefde in staat zijn, kunnen dan kiezen of ze met iemand willen samenleven of ze single willen blijven. Ze maken meer kans op tevredenheid in hun leven.

 

Bron: De Standaard

Laat een reactie achter