In deze dagen kunnen we tot in detail het reilen en zeilen van de zogenaamde kasteelmoord volgen. Er is heel wat heen en weer geschreven over de deontologische code waar een advocaat zich aan moet houden. Dat doet me de pen grijpen en eens neerschrijven waar het voor een advocaat echt om gaat of zou moeten gaan.

Recht op verdediging

Als eerstejaars student in de rechten werd ik al geconfronteerd met de ethische kant van het beroep van advocaat, toen een professor me op het examen vroeg in hoeverre ik het voor mezelf kon verantwoorden om voor misdadigers en moordenaars, te kunnen opkomen.

Op zich is dat niet echt een ethisch probleem. Een prachtig aspect van onze moderne samenleving, is dat iedereen recht heeft op verdediging in de best mogelijke omstandigheden, wanneer er vanwege de Overheid gevorderd wordt dat een straf zal worden opgelegd. Door iemand te verdedigen die iets “ergs” heeft misdaan, wordt noch de daad noch de dader vergoelijkt, laat staan dat de daad of dader vereenzelvigd kan worden met de advocaat. Ik denk niet dat dit echt een punt van discussie kan vormen.

De innerlijke ethiek

Van een andere aard is de vraag naar de innerlijke ethiek van een advocaat en hoe de waarheid een rol speelt in zijn beroep.
Die ethische kant van de advocatuur staat zelfs in de wet vermeld, wat niet alle beroepsgroepen gegeven is: het is wettelijk de taak van een advocaat hun ambt uit te oefenen in verdediging van het recht en de waarheid (artikel 444 Gerechtelijk Wetboek). Waar anderen hun taak uitvoeren in eer en geweten, moeten de advocaten het recht en de waarheid verdedigen, naast hun cliënten natuurlijk.

Die spanning tussen de verheven wettelijke taak en de concrete invulling ervan kan soms voor problemen zorgen.

Twee waarheden

Een eerste probleem is reeds het verschil tussen de “juridische waarheid” en de “werkelijke waarheid”. Volgens het recht is de waarheid wat volgens de gerechtelijke procedure als dusdanig naar voor geschoven wordt. Dit komt niet altijd overeen met wat als de werkelijke waarheid aangevoeld wordt.

Tevens is de waarheid niet kant en klaar, en weet je als advocaat niet wat “de” waarheid zal zijn, op het einde van de rit, zelfs als iedereen ter goeder trouw is. Niet alleen in strafzaken, waar er voor de eigenlijke procedure ter zitting reeds heel wat feiten naar boven komen, maar ook en vooral in burgerlijke zaken kan de waarheid slechts langzaam naar boven komen, door het spel van woord en wederwoord, van argument en tegenargument. Zo komen nieuwe gegevens en verbanden naar boven of krijgen onbelangrijke elementen een relevant karakter. Dit is de waarheidsvinding die het vak net boeiend en onvoorspelbaar maakt. Wie er van buitenaf naar kijkt, kan hier niet mee vertrouwd zijn, en het veranderende beeld van wat waarheid is, als bevreemdend ervaren.

Het is dan ook van groot belang dat de advocaat de weg tot die uiteindelijke waarheidsvinding controleert, in het belang van zijn cliënt. Ook hier kunnen er zich netelige problemen stellen.

Gewetensprobleem

Een eerste probleem is de vraag of je een bepaalde cliënt wel wilt bijstaan met professioneel advies en expertise. Vaak, en in het merendeel van de gevallen, is deze vraag een pure formaliteit. Soms echter kan er een spanning ontstaan tussen de innerlijke overtuiging van de advocaat en de vraag. Hier wordt het heikel. De oplossing kan gemakkelijk zijn : het is duidelijk dat aan illegale zaken niet kan worden meegewerkt.

Ook de vraag uit de inleiding of het verantwoord is een bepaalde persoon te verdedigen, is duidelijk. Iedereen heeft recht op verdediging, wanneer zijn rechten geschonden worden. Als er echter twijfels zijn of er inderdaad rechten geschonden zijn (op welke wijze dan ook, strafrechtelijk, burgerrechtelijk of commercieel) is het aan de interne overtuiging van de advocaat of de zaak kan aangenomen worden. Gezien niet iedereen dezelfde overtuiging heeft, en er – buiten de grens legaal/illegaal – ook geen hiërarchie mag gemaakt worden van overtuigingen, mag de uiteindelijke keuze geen negatieve schaduw werpen over de advocaat, zijn potentiële cliënt, noch (en dit is belangrijk) de advocaat die de zaak uiteindelijk behandelt. Deze kan immers de zaak uit een totaal andere invalshoek bezien, of deze benaderen vanuit een andere levensvisie.

Een kwestie van vertrouwen

Wat van het grootste belang is in dergelijk geval, is enerzijds het vertrouwen tussen advocaat en potentiële cliënt, en anderzijds de vertrouwelijkheid.

Wanneer er geen vertrouwen is, kan de advocaat niet werken. Dit betekent niet dat dit vertrouwen er van in het begin volledig en grenzeloos moet zijn. Ook dit moet opgebouwd en verdiend worden.

Maar zonder een basis van vertrouwen, of bij een opzettelijk verzwijgen van feiten en gegevens om zo de advocaat te manipuleren in denken en handelen, kun je als advocaat niet optreden. Dit is niet enkel zo in spectaculaire strafzaken. Ook in commercïele of familiezaken kan dit gebeuren. In dat geval, is de vertrouwensrelatie verbroken en is het moeilijk een vruchtbare relatie tussen advocaat en cliënt te behouden. Op dat moment wordt , mijns inziens, het verderzetten van de professionele relatie puur tijdverlies.

Ik wens met dit schrijven geen positie in te nemen in de zaak die nu zo fel besproken wordt in de media, maar dit is waar het voor mij elke dag om draait. En is dat nu net niet wat ons beroep zo razend interessant maakt?

Bron: De Redactie 

Laat een reactie achter