Eerste algemene bijeenkomst van Logia op 30 mei 2011

“Het onderwerp van mijn uiteenzetting is ‘Christen zijn in Europa’. Ik wil bij het begin duidelijk maken dat ik niet zal spreken over ‘Christendom en Europa’, noch over ‘God in Europa’ of over ‘Het christendom in Europa’. De invloed van het christendom op onze cultuur en op onze beschaving – twee goed onderscheiden begrippen – is een interessant verhaal en ik kom daar straks nog even op terug. Ik ga, tenslotte, ook niet spreken over het christendom en de Unie, wat weer iets anders is.

Ongeveer een jaar geleden gaf ik een voordracht in Parijs, onder meer over de invloed van het christendom op de Europese cultuur en ik had de euvele moed om te zeggen dat het christendom, samen met wat men de joods-christelijke traditie noemt, naast de Verlichting aan de basis lag van de Europese cultuur en beschaving. Ik betoogde dat de Verlichting eigenlijk een kind was van de joods-christelijke cultuur. Dat is me zeer kwalijk genomen in een aantal kringen. En toch ben ik ervan overtuigd dat je de Franse Revolutie en de Verlichting niet los kan zien van bijvoorbeeld een figuur als Thomas van Aquino, die als katholieke theoloog en filosoof het belang van Aristoteles – filosoof van een voorchristelijke tijd – herontdekte en hem in onze cultuur introduceerde. Op die manier heeft de rede geleidelijk aan belang gewonnen binnen het Europese gedachtegoed. Bijgevolg heeft ook de mens een centrale plaats gekregen in de schepping en de cultuur.

Deze evolutie heeft een hoogtepunt gekend tijdens de Franse revolutie, toen daar ook politieke consequenties uit volgden. Die gevolgen waren een omkering van alle politieke waarden op dat ogenblik: de val van de absolute monarchie, het instellen van een strikte scheiding tussen kerk en staat, het instellen van de republiek… Dit is natuurlijk een evolutie die al eeuwen aan de gang was. Er is een breukmoment geweest, maar zoals altijd is aan dat breukmoment een lange evolutie vooraf gegaan.

Zoals ik al aankondigde, zal ik ook niet spreken over het christendom in Europa. Het is wel een heel boeiend verhaal waar we vandaag nog steeds de gevolgen van zien. Getuige het onderscheid tussen protestanten, katholieken en orthodoxen, ook al zijn het belijdende katholicisme en protestantisme en de belijdende orthodoxie enorm in kracht afgenomen. Maar ook al is ze verzwakt, toch bestaat die cultuur nog altijd. De posities ten opzichte van de Griekse crisis zouden vandaag zelfs kunnen teruggebracht kunnen terugbrengen tot de katholieke, de protestantse en de orthodoxe cultuur. Die verschillende groepen reageren er namelijk totaal anders op. De Griekse crisis speelt in Frankrijk haast geen enkele rol in de publieke opinie terwijl hij in Duitsland, Nederland en Finland bovenaan de politieke agenda staat. Een verschil dat verband houdt met diverse culturele achtergronden.

Vrede en verzoening

De Europese gemeenschap van Kolen en Staal is tot stand gebracht in 6 landen. Europa heette toen ‘het Vaticaanse Europa’: in de drie landen van de Benelux, Duitsland, Frankrijk en Italië waren op dat ogenblik christendemocraten aan de macht. Een aantal van hen belichaamde het beste uit de katholieke traditie, namelijk de idee van vrede en verzoening. Ik denk dat vergeven en verzoenen ongeveer de moeilijkste dingen zijn die je in het leven kan doen. De breuk herstellen en de bladzijde omdraaien vraagt eigenlijk bijna een bekering, een andere gedaante aan te nemen. Schumann, De Gasperi, Adenauer … – de namen zijn gekend – hadden eigenlijk een enorme stap gezet na de oorlog. Vergeet niet de tientallen miljoenen doden in de strijd tussen Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Rusland. Ondanks die tragedie klonk het amper vijf jaar later: “Wij beginnen opnieuw en we betrekken er zelfs West-Duitsland bij”, dat een paar jaar later bij de NAVO is gaan horen. Op die manier is het grote Europese avontuur begonnen in een sfeer van vrede en verzoening. Zijn dat geen christelijke deugden bij uitstek? Het Vaticaanse Europa van toen is ondertussen uitgebreid tot Europese Unie met 27 deelnemende landen. Ik zou de Europese Unie vandaag nooit als Vaticaans omschrijven. We zijn niet meer enkel met katholieken, er zijn ook protestanten en orthodoxen. Een belangrijk deel van de publieke opinie heeft zelfs helemaal niet veel meer te maken met godsdienst.

De Unie zelf is als cultuur en als beschaving geseculariseerd. Het aanvankelijke enthousiasme dat de kerk koesterde ten opzichte van de Europese gemeenschap is afgenomen omdat de katholieken en het katholicisme in Europa tot een minderheid verschrompeld zijn, althans toch wat de leidinggevende figuren betreft. De wereld van de 27 is enorm divers geworden, hetgeen verklaart waarom de katholieke kerk vandaag niet meer datzelfde enthousiasme vertoont ten opzichte van de Europese unie als 50 of 60 jaar geleden.

Een negatief hoogtepunt in de relatie tussen de religies en de secularisatie is de fameuze preambule op het grondwettelijke verdrag waarvan de eerste versie simpelweg geschiedvervalsing was. De rol van het christendom in de vorming van de Europese cultuur en zelfs van de Europese gedachte werd gewoonweg genegeerd. Die versie is later aangepast met enkele volzinnen, maar een echte referentie ontbrak. Hoefde die preambule wel geschreven te worden? In vele grondwetten – en hiermee doel ik niet enkel op de Belgische, maar bijvoorbeeld ook op de Amerikaanse – wordt er niet naar God of naar godsdienst of naar het christendom verwezen. Door deze nutteloze oefening is men op het verkeerde pad terecht gekomen. Dat heeft zeker in kerkelijke kringen de argwaan tegenover de Europese Unie nog versterkt. Bovendien heeft de Kerk het altijd moeilijk gehad om zich aan te passen aan nieuwe gegevens. Ze heeft bijvoorbeeld ook eeuwen tijd nodig gehad om zich te adapteren aan de democratie. Dat is op zich zeer lang, en misschien is dat proces hier en daar nog steeds niet volledig voltooid. Een ander voorbeeld van deze aanpassingsmoeilijkheden is de Italiaanse eenmaking, nu 150 jaar geleden. Het is pas op het einde van de jaren twintig dat de kerk zich met de Italiaanse staat verzoend heeft. Dit maar om te zeggen dat nieuwe werkelijkheden op een heel moeizame manier geaccepteerd worden, althans vanuit kerkelijk oogpunt.

Ik heb geopperd dat de Europese gedachte gebaseerd is op de idee van vrede en verzoening. Dat blijft voor de Europeanen een erg actueel gegeven, in de brede betekenis van het woord. De Europese Unie is eerst en vooral uit de oorlogvoerende partijen ontstaan. Ik behoor tot de generatie die geboren is na de oorlog en die de verhalen over de oorlog van onze ouders en van onze grootouders kent. De generatie van vandaag hoort die verhalen van onze generatie. Maar dat is al minstens uit tweede hand. Het levendige besef dat het ooit anders is geweest is in feite uit de cultuur verdwenen. Zeker uit een cultuur als de onze die de geschiedenis of het historische besef niet begunstigt – integendeel zelfs. We leven in een instant maatschappij, waar de banden met het verleden makkelijker verbroken worden. Bijgevolg is de gedachte van vrede en verzoening die aan de basis van de EU ligt niet meer zo levendig aanwezig bij de jongste generaties. In Oost-Europa ligt dat anders. De bevolking leefde onder de Koude Oorlog en had in de eerste generatie nog de herinnering aan het communistisch bewind dat het resultaat was van de oorlog. De Koude Oorlog is er nog niet verdwenen uit het collectieve gedachtegoed. Hetzelfde met de westelijke Balkan. In het vroegere Joegoslavië werd er tot 15 jaar geleden niet alleen een burgeroorlog uitgevochten, maar werden ook daden van genocide gesteld. We worden er in deze dagen nog aan herinnerd. Die landen hebben één grote droom: vroeg of laat te mogen behoren tot de Europese Unie. Dat belet hen te hervallen in de fouten van het verleden. De oorlog is er nog levendig aanwezig. Vergeet niet dat die oorlog in ex-Joegoslavië plaats had aan de grenzen van de huidige Unie. Ik herhaal: op 1200 kilometer van de hoofdstad van Europa werden daden van genocide gepleegd en dit slechts 15 jaar geleden. De associatie tussen Europa en de begrippen vrede en verzoening is dus in bepaalde delen van de huidige Europese of van de toekomstige Europese Unie nog steeds niet evident.

Wij moeten er altijd over waken dat de geschiedenis zich niet herhaalt. De geschiedenis is geen lineaire rechte die louter vooruitgang boekt. Als dat zo was, hoe zouden we dan de drama’s van de beide wereldoorlogen moeten verklaren? De optimistische gedachte van de Verlichting dat de mens steeds beter wordt, kreeg een fatale klap door het nazisme en het stalinisme. We moeten er altijd over waken dat we niet hervallen in de fouten van het verleden. Historia magistra vitae. Vandaar dat de historicus zegt dat we heel levendig moeten houden waar het allemaal mee begonnen is en waar het altijd kan op uitdraaien. Dit is des te belangrijker, daar er in onze samenleving een toenemende tendens is naar vijanddenken, dat zich echter niet kan vertalen in agressiviteit tussen naties, omwille van de Europese Unie. De EU is een carcan dat belet dat agressiviteit en vijanddenken zich vertalen in agressieve daden.

Onze samenleving wordt meer en meer getekend door polarisering en door vijanddenken. Dat is een uitvloeisel van de toenemende individualisering in de samenleving, die overigens ook zeer veel positieve kanten heeft. Het individualisme mag echter niet de bovenhand nemen en evolueren in de richting van egoïsme en particularisme, die kunnen uitmonden in nationalisme. Het negatieve nationalisme – niet het nationalisme dat zegt ‘ik ben fier om Vlaming te zijn, ik ben fier Fransman te zijn’ maar het negatieve nationalisme zoals in ‘ik beteken maar iets in de mate dat ik iemand onder mij heb, ik beteken maar iets in de mate dat ik een vijand heb – , is natuurlijk een bijzondere kwaal. En die tendens naar negatief nationalisme neemt toe. In die zin moeten we waken over het feit dat we de centrale waarden van vrede, verzoening, solidariteit en samenhorigheid  – zonder dewelke de Europese gedachte nooit had bestaan  – op één of andere manier kunnen behouden.

De Europese gedachte is opgebouwd rond de idee van eenheid in verscheidenheid. Dat is nog steeds een grote ambitie. Het gaat op dit moment om 27 landen, 27 geschiedenissen, 23 talen. Wij moeten al die factoren op de een of andere manier met elkaar doen samenwerken. Dat gebeurt meestal op het niveau van de instituties. Ons probleem vandaag is dat we eenheid in verscheidenheid tot stand moeten brengen in elk van de lidstaten. Niet op het niveau van de instellingen maar op het niveau van de mensen zelf. De grote uitdaging waar onze samenleving voor staat is wat men gemakshalve de multiculturele of de interculturele samenleving noemt. In het dagdagelijkse leven op die manier samenleven is een veel grotere uitdaging dan de Europese vorm van eenheid in verscheidenheid, omdat die zich meer op het niveau van de instellingen situeert dan op het niveau van mensen. Multicultureel samenleven kan slechts als de waarde van één beschaving erkend wordt – en dan refereer ik meestal naar de instellingen en naar de regelgeving, het uitwendige aspect. Absoluut essentieel is hierbij de erkenning van de politieke democratie, van de rechtstaat, van de gelijkheid van man en vrouw, van de scheiding tussen kerk en staat. Je kan geen samenleving opbouwen als je niet die éne beschaving aanvaardt. Binnen een samenleving kunnen er wel verschillende culturen, godsdiensten en talen zijn, verschillende manieren om zich uit te drukken en om te leven. Ten opzichte van die verschillen moet op de een of andere wijze passief en actief tolerant gereageerd worden. Maar er mag geen twijfel bestaan over de stam waarrond een natie moet leven. Daarover moet men het eens zijn, omdat die beschaving één moet zijn.

Een andere gedachte in dezelfde trant gaat over wat christen in Europa betekent. Hoe staat men in de laatste 10 à 20 jaar tegenover religies? 9/11 heeft de godsdienst in het algemeen in een kwalijk daglicht gesteld. Ik weet niet of velen zich nog herinneren wat er in de periode daarna geschreven is over de rol van godsdienst. Eigenlijk werd niet alleen de islam gestigmatiseerd, maar elke godsdienst werd gelijk gesteld met oorlog. Althans, daar probeerde men ons van te overtuigen. Vandaar dat ik zo gelukkig ben met wat zich in Egypte en Tunesië heeft afgespeeld, waar we precies het omgekeerde fenomeen zien. In die door de islam gedomineerde landen zijn de mensen niet in opstand gekomen op basis van een extremistisch of een fanatiek programma – zelfs niet op basis van religie – maar op basis van het universele verlangen naar vrijheid en naar sociale rechtvaardigheid. Dat laatste wordt onderschat. We zijn dikwijls geneigd om alleen te praten over democratie. Maar eigenlijk is de omwenteling ontstaan uit een groep jonge mensen – studenten –  die geen enkel perspectief hadden, maar die rondom zich wel de corruptie zagen, de ongelijke verdeling van de rijkdommen en van de kansen op werkgelegenheid.

Het beste antwoord op nine eleven heeft zich afgespeeld op het Tahrirplein en in de straten van Tunis. We zullen zien wat de geschiedenis brengt, want ik weet dat velen aanmanen tot voorzichtigheid. In elk geval hebben we te maken met een breuk die heel merkwaardig is. Het grootste en het beste antwoord op het terrorisme is niet gegeven door de dood van Osama Bin Laden, maar in de straten en op de pleinen van Caïro en Tunis. Daar werd afstand gedaan van de idee van terrorisme als oplossing voor de noden van mensen, waardoor religie in een heel verdacht daglicht gesteld werd.

Een tweede bedenking die ik hierbij wil maken betreft de ietwat vreemde houding tegenover de islam in het algemeen. Aan de zogenaamd progressieve zijde van het politieke spectrum is er een grotere tolerantie ontstaan ten opzichte van godsdiensten, maar niet uitgaande van een nieuwe houding tegenover het christendom. Wel ten opzichte van de islam. Dat gebeurde om allerhande redenen, soms zelfs electoraal van aard.

Langs de ‘rechtse’ kant kwam in het extremistische deel een islamofobie tot stand. De houding tegenover godsdienst is met andere woorden gewijzigd door de sterke nieuwe aanwezigheid van moslims in onze samenleving. De islam heeft een polarisering teweeg gebracht in onze samenleving. Heel vreemd, temeer daar de islam helemaal geen homogeen begrip is. Er zijn in de islam heel veel tendensen zoals we die ook bij de christenen en katholieken vinden.

Het bewijs daarvoor zien we bij die jonge moslims die niet op de eerste plaats moslims zijn, maar die een breuk tot stand brengen in de Arabische wereld. Zoals reeds gezegd beschouw ik deze situatie als het beste antwoord op diegenen die islamofoob zijn, omdat men daar ziet dat islam en democratie geen tegengestelde begrippen hoeven te zijn. Net zoals katholicisme en democratie natuurlijk ook niet noodzakelijkerwijze tegengestelde begrippen hoeven te zijn.

Het sociaal kapitaal van het christendom

Naast de Europese gedachte van vrede, veiligheid en het vijanddenken van vandaag en naast de perceptie van godsdienst in het algemeen in het post nine eleven-tijdperk (met de nieuwe tendensen in de Arabische wereld) wil ik nog even kort iets zeggen over christendom en sociaal kapitaal.

Men heeft enkele jaren geleden herontdekt dat een samenleving een samenleven moet zijn en dat een gefragmenteerde samenleving een samenleving is waar heel grote agressiviteit kan ontstaan. De idee van sociaal kapitaal heeft enorm aan kracht gewonnen. Herinnert u zich het fameuze boek van Robert Putnam, Bowling alone? “Community building”, of hoe een samenleving opnieuw doen samenleven, is een sterke gedachte hierin. Dat sociale kapitaal werd beschouwd als een antwoord op het toenemende extremisme en op het toenemende rechtse extremisme. We moeten terug aan gemeenschapsopbouw doen en een gemeenschapsgevoel creëren om het vijanddenken te vermijden. Vijanddenken ontstaat dikwijls uit angst en angst ontstaat vaak uit een teveel met zichzelf bezig zijn. Als je op jezelf geconcentreerd bent, kan al het vreemde je als vijandig worden voorgeschoteld. Zeker als je voldoende wordt gezegd dat de problemen altijd bij de anderen liggen. Op die manier ontstaat een samenleving die effectief getekend is door angst en door dat vijanddenken. Een antwoord daarop kunnen we eventueel terugvinden in het sociale kapitaal. Daarin kan een godsdienst een heel grote rol spelen omdat die –vanuit zijn beste eigenschap bekeken – traditioneel de andere vooropstelt. Wat medeleven is bij de boeddhisten, of altruïsme en solidariteit voor diegenen die meer filosofisch en minder religieus zijn ingesteld, of naastenliefde in de katholieke traditie, dàt aspect van de godsdienst kan een enorme bijdrage leveren aan de heropbouw van het sociale kapitaal. Om die heropbouw te kunnen realiseren moeten er natuurlijk nog structuren aanwezig zijn. Het christendom als structuur – vroeger zouden we gezegd hebben als zuil – kan niet meer als het cement van de samenleving gezien worden. Daarvoor zijn haar structuren niet langer sterk genoeg.

Paradoxaal genoeg ziet men nu het belang van diezelfde structuren in om opnieuw aan gemeenschapsopbouw te doen. Terwijl men vroeger geprobeerd heeft om die structuren ideologisch te breken. Ik hoop dat het niet te laat is. Vandaag wordt veel hoop gesteld op de godsdienst en meer specifiek op het christendom om die samenleving opnieuw meer coherentie en wat meer enthousiasme te geven. Mij is altijd het beeld bijgebleven van de toenmalige president Gorbatsjov, die in de periode van perestrojka en glasnost een bezoek brengt aan paus Joannes Paulus II om hem te vragen mee te helpen aan de morele wederopbouw van de Sovjetunie en om een einde te stellen aan het rijk van de leugen. Hoewel de inbreng van katholieken in Rusland altijd beperkt zal zijn omdat er een grote dominantie is van de Russisch-orthodoxe kerk, was dat eigenlijk een oproep aan de godsdienst en aan het christendom om mee te helpen aan een soort morele herbewapening, tegen het rijk van het bedrog van de voorbije periode. Dat is mutatis mutandis dezelfde benadering als die van het sociaal kapitaal. Van godsdiensten wordt verwacht weerwerk te bieden aan een samenleving waar perceptie en leugen – soms komt dat ongeveer op hetzelfde neer – een heel grote rol spelen.

Authentieke getuigenissen

Christendom en godsdiensten worden ook geacht een grote bijdrage te leveren aan de publieke moraal omdat er een heel grote drang is naar authenticiteit en naar mensen die op een authentieke manier leven. Bij hen sluiten woord en daad nauw bij elkaar aan. En daar hunkert de mens vandaag naar, precies omdat leugen en schijn veelvoorkomend zijn in een ‘vermarkte’ maatschappij. Officiële waarheden worden steeds minder aanvaard gezien ze gelden als een overgave aan een gezag. Dat gaat in tegen de heersende cultuur. Die heeft als motto: “Ik bepaal wat de waarheid is”. Als dat het geval is, dan is het getuigenis van mensen van heel groot belang, gezien het geloof in abstracte waarheden afkalft. Des te meer waarde wordt gehecht aan concrete mensen die de belichaming zijn van die waarheden. Dat is tevens het drama van de crisis in de kerk van vandaag. Het ganse pedofilieverhaal heeft de authenticiteit onderuit gehaald. Het zal heel moeilijk zijn daar snel van te herstellen. De grote rol die de godsdienst en het christendom konden spelen in een samenleving die snakt naar authenticiteit, is voorlopig weg. Dat is een heel pijnlijke evolutie. Anderzijds is de ruimte om mensen warm te maken voor een authentieke beleving van het geloof veel groter dan een paar jaar geleden.

Een andere bedenking is dat het christendom zelf heel sterk veranderd is in de loop van de tijden. Het feit dat het christendom een minderheid is geworden in de samenleving heeft niet alleen negatieve gevolgen. Cultureel is het christendom heel sterk aanwezig. Maar het belijdende christendom in het dagdagelijkse leven is het rijk geworden van een heel kleine, nog steeds afnemende minderheid. Dat gegeven heeft met zich meegebracht dat er bij christenen zelf een veel grotere verdraagzaamheid is ontstaan ten opzichte van de rest van de samenleving. Precies omdat christenen een minderheid zijn, moeten ze als minoriteit leren leven met iedereen. Wie zich in een meerderheidspositie bevindt, is dikwijls meer geneigd tot onverdraagzaamheid. Wie zich daarentegen zwak voelt, wil zelf getolereerd worden en wordt zelf dikwijls – niet altijd –toleranter. Het minderheidsgevoel heeft de morele en politieke superioriteit weggenomen, die vroeger sterker aanwezig waren. Omgekeerd is het zo dat we – vermits we een minderheid zijn – ook niet meer gevaarlijk zijn. Daardoor heeft het antiklerikalisme of het anti-katholicisme nu ook niet veel zin meer. De vijand is ongevaarlijk geworden. Bij jongere mensen is de tolerantie tegenover de Kerk – ik maak even abstractie van wat er de laatste maanden en het laatste jaar in Vlaanderen is gebeurd – groter geworden omdat het repressieve karakter dat men zou kunnen ervaren, niet moet gevreesd worden. Het bestaat simpelweg niet meer. De perceptie van de christen in de wereld is veranderd; Omgekeerd is de perceptie van de christenen tegenover de wereld eveneens heel erg gewijzigd.

Scheiding van kerk en staat

De scheiding tussen Kerk en Staat is een goede zaak geweest voor de Kerk. Ik heb al vaak gehoord dat een van de kwalijkste gebeurtenissen in de loop van de geschiedenis van de katholieke kerk precies was dat keizer Constantijn in de vierde eeuw van de katholieke geloofsovertuiging een staatsgodsdienst heeft gemaakt. Zijn beslissing heeft zowel de staat als de kerk geperverteerd. Aan die toestand is pas een einde gekomen met de Franse Revolutie. Dat betekent dat de wantoestand lang geduurd heeft. Hierdoor is de authenticiteit van de boodschap op de achtergrond verdrongen. Ze heeft natuurlijk mee de cultuur helpen bepalen – ik ga zeker niet met één revers de main die geschiedenis wegvegen – maar die verstrengeling tussen Kerk en Staat heeft de Kerk als draagster van de Blijde Boodschap geen diensten bewezen. De godsdienst is gebruikt. Godsdienst dringt diep in de harten van de mensen en kan gemakkelijk gebruikt en vooral misbruikt worden. De kerk zelf was trouwens ook aangetrokken door macht. De pauselijke staten hebben tot 150 jaar geleden bestaan als laatste restant van die wereldlijke macht. Beseffend waarover het werkelijk gaat, wordt de scheiding van Kerk en Staat vandaag bijna karikaturaal wanneer die opgehangen wordt aan het feit dat de nuntius niet meer op de eerste rij mag staan voor het protocol. Ik heb het over het structurele probleem en niet over tradities. Hetzelfde ‘probleem’ met de kruisbeelden op openbare plaatsen. Deze zaken hebben meer met cultuur te maken dan met godsdienst. Als sommigen zich willen amuseren met die achterhoedegevechten, doen ze dit maar.

We moeten ons in elk geval hoeden voor een kloof tussen geloof en wereld, om de woorden van professor Dondeyne te gebruiken. Ik zou zelfs zeggen: hoe meer er een scheiding is tussen Kerk en Staat – waar ik een grote voorstander van ben – hoe meer ik vind dat christenen zich moeten engageren in de wereld en laten blijken dat het geloof relevant is. En dit niet alleen verticaal – dat ook, want er bestaat een grote spirituele en transcendente behoefte – maar evenzeer horizontaal. Het engagement van christenen in de wereld is meer dan ooit noodzakelijk. Ik herhaal: hoe meer er scheiding is tussen kerk en staat, des te meer moeten we ons engageren in wat Dondeyne “de wereld” noemde. Geloof en wereld moeten met elkaar verzoend worden.

Een van de drama’s van de laatste honderd jaar is dat er zo’n grote kloof is ontstaan tussen de zogenaamde intellectuele wereld, de literaire wereld en de wetenschappelijke wereld. Ik zag laatst nog een foto van priester en professor Lemaître met Einstein. In hun tijdperk was er geen enkel probleem om de “big bang theorie” vanuit een katholiek oogpunt ter discussie te brengen. Er werd geen tegenstelling gevoeld tussen de kosmologische en de theologische visie. De volledige geschiedenis van de renaissance getuigt daarvan: bijna alle grote wetenschappers waren belijdende christenen. Newton, de allergrootste, maar ook vele anderen. Het ontstaan van die kloof tussen rede en geloof, tussen wetenschap en geloof, tussen literatuur en geloof, tussen intellegentsia en gelovigen is dramatisch. Deze tendens is lichtjes aan het keren, in Frankrijk bijvoorbeeld. Ik ontmoette er onlangs nog Eric-Emmanuel Schmitt, omdat ik een fervente lezer van hem ben. Smith is vandaag in Frankrijk een van de best verkopende auteurs en romanciers. Hij heeft zich bekeerd en is sindsdien beginnen schrijven vanuit zijn geloofsovertuiging. Het werd hem afgeraden uit angst dat zijn boeken niet meer zouden verkopen – niet dat dat het grootste argument hoeft te zijn. Het omgekeerde is gebeurd. Iemand als Jacques Attali kan over geloof spreken zonder enig probleem. Régis Debray – de vroegere kompaan van Che Guevara – is gefascineerd door godsdienst en schrijft over niks anders meer.

En als het regent in Parijs, dan druppelt het ooit in Brussel. Die omkering in de literaire wereld is althans in sommige landen merkwaardig te noemen. In de komende jaren zal wellicht gemakkelijker over godsdienst, over christendom en over zijn persoonlijke ervaring gesproken worden dan tot voor kort. Het katholicisme en het christendom is geen bedreiging meer. Precies daarom is de tijdgeest opener geworden. Wie dat wil, kan natuurlijk nog altijd voorbeelden van het tegendeel aanwijzen, maar ik ben geen grote aanhanger van de complottheorie en van samenzweringen. Over het algemeen denk ik dat het klimaat opener is geworden en dat er een plaats is voor belijdende christenen, die voor hun horizontale en verticale overtuiging durven uitkomen.

De geschiedenis is geen loodrechte weg naar vooruitgang. Er zijn verworvenheden van de geschiedenis, maar men kan vervallen. Dit betekent niet dat het verhaal herbegint van nul. We moeten blijvend waken. Ook al klinkt dat waken een beetje defensief. De Tocqueville – geen gelovige overigens – was terecht van oordeel dat de democratie niet kan bestaan zonder een morele of spirituele basis. De democratie is veel meer dan een methode om met elkaar om te gaan. Die is natuurlijk heel significant voor wat je bent en voor hetgeen waarvoor je staat. Als je alles wil regelen met de dialoog, wil dat zeggen dat je niet kiest voor de brutale confrontatie of voor geweld. In die zin is de methode ook een stuk waardebeleving en een stuk boodschap. Maar de democratie is meer dan dat. De democratie kan in mijn ogen niet leven of niet verder leven wanneer mensen geen respect hebben voor elkaar en geen dingen samen willen doen of wanneer er geen sociaal kapitaal is. De democratie heeft met andere woorden een morele en spirituele basis nodig en die kan komen uit godsdiensten of levensbeschouwingen. Zonder dat fundament kan ze niet verder. Zonder deze grond is de democratie een instituut dat overboord mag gegooid worden als het niet performeert en niet mijn belangen dient. Zo hebben avonturiers vrij spel. Dat is iets wat we altijd voor ogen moeten houden. Democratie heeft een vorm van stabiliteit en infrastructuur nodig, wil ze duurzaam zijn. Een dictatuur kan ook stabiel zijn, maar als zij niet op termijn voor vrijheid en voor een gevoel van rechtvaardigheid zorgt, dan is zij gewoon niet duurzaam. Dat geldt trouwens niet alleen voor de dictatuur. Ook een democratie moet waken over haar duurzaamheid. Wij moeten er ons allemaal voor inspannen dat zij haar morele en geestelijke basis behoudt. We moeten mensen inspireren tot partners die samen iets willen opbouwen en die tekens van hoop willen zijn, positief ingestelde mensen die de ander niet als vijand zien maar als een bondgenoot. Als de democratie dat tot stand kan brengen, behoedt ze zich voor de beschadiging van haar wortels. Democratie is veel meer dan een procedure, het is veel meer dan alleen verkiezingen of een aantal spelregels. Ze moet gedragen worden door iets veel fundamenteler. Daar kan en moet het christendom- en dan vooral de christenen in deze periode – een rol in spelen. Er moet iets meer zijn. Zo niet, zoekt men wanhopig naar nieuwe wegen en naar avonturiers.”

Laat een reactie achter