De nationale Veiligheidsraad heeft het voorstel bekrachtigd van de Vlaamse onderwijssector om scholen vanaf 18 mei de mogelijkheid te geven te heropenen voor een deel van de leerlingen: bepaalde leerjaren gedurende een beperkt aantal dagen.

Het is een goede zaak dat de scholen weer opengaan omwille van verschillende pedagogische en didactische redenen. Aanloopleren lijkt voor sommige leerlingen te werken, anderen botsen elke dag op de drempels: gefrustreerd raken door de veelheid van taken en opdrachten, een helpende hand missen om het schoolwerk te organiseren, en de zoomsessie met de meester en klasgenoten te helpen klaarzetten. Sommige leerlingen zijn enkel aangewezen op youtube-materiaal of andere educatieve websites en stellen vast dat die uitleg niet even sterk klinkt als de herkenbare instructies en voorbeelden van de leraar. Ze begrijpen opdrachten minder goed, kunnen geen vragen stellen, enzovoort.

Dat de scholen weer opengaan, is ook een goede zaak omwille van sociale en emotionele redenen. We kunnen er niet omheen: aanloopleren vergroot de sociale ongelijkheid. In elke klas zijn nog steeds een aantal leerlingen onbereikbaar. En zelfs als er contact is tussen de leraar en de leerling, dan wil dat nog niet zeggen dat er een leerbare omgeving aanwezig is: geen laptop in huis, of deze te moeten delen met broer, zus of ouders waardoor je vaak een online les mist, of niet altijd toegang hebt tot de opdrachten.

Niet of onvoldoende kunnen rekenen op ondersteuning van ouders. Niet omdat de ouders niet willen – alle ouders willen het beste voor hun kinderen – maar omdat het soms gewoon niet lukt: ze voelen zich niet bekwaam of staan zelf onder grote druk: de druk van het telewerken of de druk van armoede. Zich niet even kunnen terugtrekken in een aparte kamer voor die videocall. In de knoop zitten met zichzelf en het allemaal niet meer zien zitten. Geen contact meer met die leraar waar je af en toe je hart bij kon luchten …

Dat de scholen gefaseerd moeten opengaan, is een zaak van veiligheid. Vraag is of op basis van al deze argumenten geen andere (aanvullende) fasering mogelijk is? Door nu al expliciet te kiezen om de schooldeur en schooltijd open te stellen voor leerlingen die dat extra duwtje in de rug hard nodig hebben omwille van zorgnoden (leerstoornissen, ontwikkelingsproblemen, etc.), voor wie het aanloopleren of thuis (digitaal) leren om allerhande redenen niet vlot loopt, voor wie zich thuis niet veilig voelt. De keuze ook om de werkateliers te openen voor het BSO-onderwijs omwille van de specifieke (beroeps)vaardigheden die noch op afstand noch digitaal verworven kunnen worden.

Intenser op weg gaan met deze leerlingen betekent niet de andere leerlingen loslaten. Integendeel, we gaan uit van het vertrouwen dat ze later wel vlot weer kunnen aansluiten. Deze leerlingen kunnen we verder aanmoedigen – opvolgen via kortere contactmomenten op school of via afstandsonderwijs – door in te zetten op herhalingsoefening en verdieping. We dagen hen uit en stimuleren de goesting tot andere boeiende alternatieve activiteiten zoals boeken lezen, in het Nederlands of een andere taal, een wetenschappelijk of een filosofische werk doorworstelen. Daarmee willen we niet stellen dat de lat voor hen lager moet liggen. Dit pleidooi voor mildheid is er veeleer één om naast het stellen van hoge verwachtingen en uitdagingen rekening te houden met de uitzonderlijke context waarin leerlingen momenteel leren.

Zo kwamen we vorige week een directeur tegen die zijn schooldeur nooit heeft dichtgedaan. Zijn deur bleef open om een kleine groep van leerlingen les te geven. Leerlingen die in een instelling verbleven en daar niet meer terecht konden, en voor wie het thuis niet veilig is. Leerlingen bij wie het leren al moeilijk liep voor het virus uitbrak. Leerlingen in thuissituaties waarin het om diverse redenen niet mogelijk is om tot digitaal leren te komen. Op die momenten kan je niet anders dan als directeur verantwoordelijkheid opnemen: nu de hand uitsteken naar leerlingen waarvan je weet dat ze dreigen kopje onder te gaan. En sommige leerlingen grijpen je hand bij de eerste keer. Maar er zijn altijd leerlingen die je niet vertrouwen – waarom zouden ze, ze voelen zich al aan een hele schoolcarrière geviseerd – en dan probeer je het nog een keer, en nog een keer, en nog een keer, en nog een keer. Zoveel keer tot ze ervaren dat het je menens is: dat je in hen gelooft en je niets anders wilt doen dan samen de tijd benutten om die laatste horde goed te kunnen nemen.

In tijden van crisis, zo stelt de filosofe Hannah Arendt, vallen alle vanzelfsprekendheden. Het biedt vrijheid om te kleuren zonder lijntjes. Creatief zijn met de opvang en de invulling van de beperkte tijd op school. Verantwoordelijkheid opnemen waar nood wet breekt. Stimuleren van goesting en zin. Laten we de schooldeuren gefaseerd openstellen vanuit het vertrouwen dat sommige leerlingen zelf een boeiende weg aan het gaan zijn, en anderen nog (verder) op weg gezet moeten worden. Voor deze laatste groep leerlingen maakt in deze bijzondere tijden de fysieke aanwezigheid van de leraar én het milieu van de school een groot verschil. Dé school doet ertoe. Omdat elk kind recht heeft op goed onderwijs.

Bron: knack.be

Laat een reactie achter