Economen hebben geen glazen bol om de toekomst precies te voorspellen, maar toch zijn er enkele algemene trends waarover een ruime mate van eensgezindheid bestaat. We weten bijvoorbeeld dat we normaal gesproken – als we gespaard blijven van een financiële systeemcrisis – voor de volgende vijftien jaar in West-Europa een economische groei kunnen verwachten van 1 à 1,5 procent. Dat is veel minder dan in het verleden. Psychologen voegen daaraan toe dat een groei onder de 1,5 procent door mensen niet als vooruitgang wordt ervaren. We weten bovendien dat door de vergrijzing een verschuiving van enkele procenten van het bruto nationaal product van de actieven naar de gepensioneerden zal moeten plaatsvinden. Anders kunnen we de ouderen geen fatsoenlijk pensioen en gezondheidszorg garanderen. Bovendien moet er geïnvesteerd worden in crèches, scholen, extra taalonderricht en opleiding voor jongeren die vaak uit anderstalige gezinnen komen. De sociale investeringsstaat zal werklozen activeren, maar het is een illusie te denken dat hij goedkoper zal zijn dan de klassieke welvaartsstaat van de tweede helft van de twintigste eeuw. Alles samen genomen betekent dit dat de actieve bevolking in de volgende jaren geen reële inkomensstijging moet verwachten. De beperkte economische groei die we nog kennen zal worden opgeëist door de solidariteit met onze ouderen en kinderen. Bovendien zal ook de omschakeling naar een energiezuinige maatschappij geld kosten. Mensen weten dat vaagweg en worden er pessimistisch van. “Onze kinderen zullen het niet zo goed hebben als hun ouders”, zeggen ze dan. Ik denk dat dit pessimisme grotendeels onterecht is. De vergrijzing heeft niet alleen een kostprijs. Ze houdt ruime tewerkstellingskansen in voor jongeren met een diploma. We kunnen ook beter tevreden zijn met de rijkdom die we al hebben dan ongelukkig te zijn omdat er niet veel meer te verwachten valt. Bovendien weten we dat meer geld en rijkdom mensen niet meer gelukkiger maakt, althans voorbij een bepaalde, vrij lage inkomensdrempel. Vijf keer in plaats van twee keer per jaar op citytrip kunnen gaan is een futiele ambitie in vergelijking met de noodzaak om een voor iedereen toegankelijk kwaliteitsvol systeem van gezondheidszorg en onderwijs in stand te houden. En toch is dit een boodschap die politici niet graag uitleggen aan de burgers. Het is hoe dan ook slikken voor het actieve deel van de bevolking om te vernemen dat er in de nabije toekomst geen verdere inkomensstijging te verwachten valt. We moeten de discussie over extra lasten voor de rijksten tegen deze achtergrond plaatsen. De argumentatie over de futiliteit van een verdere toename van inkomen en vermogen voor wie al relatief rijk is gaat bij uitstek op voor die categorie van superrijken. Zij bevinden zich op een niveau waar de claim op nog meer bezit en inkomen in een wereld van behoeftigheid helemaal absurd wordt. Bovendien, hoe kan men aan de brede bevolking uitleggen dat er in de nabije toekomst meer solidariteit ten behoeve van onze kinderen en ouderen nodig is, als de rijksten daaraan ontsnappen?

Leren van de VS

De bezwaren tegen mijn redenering zijn bekend. ‘Met meer belastingen jaag je de rijksten gewoon weg’, zeggen sommigen. Rijken doen immers aan fiscale optimisering. Ze beleggen en investeren op die plaatsen waar de belastingen het laagst zijn. Daar valt wel iets aan te doen. Op dit punt kunnen we ook leren van de Verenigde Staten van Amerika. Belastingheffing binnen een grote economische ruimte is veel efficiënter dan binnen kleine territoria. Zoals in de VS moeten we dus ook binnen Europa afspraken maken die belastingontduiking en -ontwijking onmogelijk maken. Ik weet het wel. Dan zullen de superrijken nog altijd achterpoortjes vinden om geld te plaatsen in ver af gelegen belastingparadijzen. Maar dat houdt ook veel meer risico’s in. Niet iedereen wil zich graag blootstellen aan mogelijke chantage door gewiekste bankiers en min of meer corrupte regeringen aan de andere kant van de wereld. Bemerk ook dat de bestraffing van belastingfraude in de VS veel strenger is dan in de meeste Europese landen. “Als we onze topmanagers meer belasten, dan kunnen we geen echt goede mensen meer aantrekken”, waarschuwen werkgeversorganisaties. Ik geloof dit niet. Er zijn talloze mensen in dit land die veel meer dan de wettelijk bepaalde 38 uur per week werken zonder dat ze daarvoor buitensporig moeten worden beloond. Een goede bedrijfsleider is iemand die een dynamische bedrijfscultuur kan tot stand brengen en bewaren, een cultuur waarin mensen intrinsiek gemotiveerd kunnen blijven. Welnu, intrinsieke motivatie krijg je van medewerkers aan wie je zelf het goede voorbeeld geeft. Die kun je niet stimuleren als je zelf zit te rond te kijken of er niet een ander job is waar je nog meer kunt verdienen.

Absolute topprestatie

Ik geef aan mijn studenten vaak het voorbeeld van De Waak, een beschutte werkplaats in het West-Vlaamse Kuurne, die werk biedt aan rond de 1.400 mindervalide werknemers. Ze doen dit al meer dan veertig jaar. Ze zijn actief in de industriële sector. Ze werken voor Volvo bijvoorbeeld. Ze trotseren de concurrentie van China en Oost-Europa, van gevangenissen en sweatshops. Het in stand houden van zo’n bedrijf is een absolute topprestatie. Welnu, die wordt geleverd door managers die slechts een fractie verdienen van de Brito’s en Slims van deze wereld. De duurste managers zijn precies door het buitensporige belang dat ze blijkbaar hechten aan geld minder geschikt voor de job.

 

Bron: De Morgen

Laat een reactie achter