Het is ‘dag van de biodiesel’, maar dat is geen reden om te feesten, zegt ELLEN VAN STICHEL.

Er gaat geen dag voorbij of het is de ‘Dag van…’. Vandaag is het die van de biodiesel. Onwaarschijnlijk, maar waar. Wat op het eerste gezicht een feest moet zijn, heeft echter een stevige schaduwzijde. Het meest desastreuze aspect hiervan heet honger.

Positief is dat milieuverontreiniging leidt tot een toenemende aandacht voor een duurzaam leven, zoals blijkt uit het groeiende marktaandeel van biologische, vaak lokaal geteelde producten. Tot voor kort bleven die producten beperkt tot menselijk voedsel, maar nu is er ook biobrandstof. Gezien de massale stijging van het transport wereldwijd, verdient deze groene evolutie in brandstofgebruik aanmoediging. Milieu en mens zijn gebaat bij een verminderde CO2-uitstoot. Er is echter een keerzijde.

Een snelle klik op Wikipedia leert dat biodiesel gemaakt wordt van plantaardige olie of dierlijk vet. Een detail: toen Diesel zijn eerste naar hem genoemde motor ontwikkelde, werkte die op olie geperst uit pinda’s.

Tegenwoordig is biodiesel vervaardigd uit een combinatie van olie en alcohol. Naargelang het werelddeel verandert de olie: de planten die in een bepaald deel van de wereld het meeste olie produceren, worden massaal gekweekt. Bij ons is dat koolzaad, in de VS is het maïsolie, en in de tropische landen gaat het palmolie of ethanol uit suikerriet.

Bioverhaal is vooral levensstijl van bemiddelde westerling

Daar is een ecologische kostprijs aan verbonden. De productie van de olie vergt grootschalige plantages met ontbossing van grote delen regenwoud in Azië tot gevolg. De ontbossing veroorzaakt ook menselijke drama’s: wie kijkt naar de slachtoffers van dergelijke veranderingen, stelt vast dat het de armsten van de armen zijn die als eersten getroffen worden.

Vrouwen en kinderen eerst

Bovendien geldt blijkbaar ‘vrouwen en kinderen eerst’. De armoede van vrouwen en kinderen gaat hand in hand met de verwoesting van de natuur. Ontbossing betekent dat vrouwen twee en drie keer per dag onderweg zijn om hout te halen. Het leidt ook tot droogte, waardoor vrouwen twee tot drie keer per dag op zoek moeten naar water.

Maar er is meer. Niet zelden schakelen grondbezitters in de armere landen over op de productie van olieproducerende planten. Die brengen meer op dan de gewassen die bestemd zijn voor de voeding van de bevolking. Het succes voor de producenten zelf is wisselend, zoals een vergelijking tussen Keniaanse en Argentijnse boeren leert.

En de lokale bevolking? Die ziet met lede ogen aan hoe hun vruchtbare landbouwgronden ingepalmd worden om het transport duizenden kilometers verder veilig te stellen.

Hoe goed en noodzakelijk het ook is om groen te zijn, het hele bioverhaal is vooral een levensstijl van de bemiddelde westerling. Groen is een luxeproduct, wat door de biodiesel op een pijnlijke manier bevestiging krijgt: primaire behoeften worden opgeofferd aan meer secundaire en luxueuze behoeften. En wie kan er bij ons deze groene diesel betalen? Er schuilt een vreemde contradictie in het begrip biodiesel. Minstens 20 procent van onze te grote ecologische voetafdruk komt door transport, 90 procent daarvan komt door de auto. Dit toont het belang aan van groene brandstoffen. Tegelijk rijst de vraag of we niet beter ons energieverbruik tegen het licht moeten houden.

Bron: De Standaard

Laat een reactie achter